Op zoek naar de mens

—Katinka Duffhuis
Annaleen Louwes, BLACK & WHITE AND (SOME) KIND OF BLUE OR I ONLY WANT TO BE HAPPY, 2017

Museum Het Dolhuys is gehuisvest in een voormalig leprozen-, pest- en dolhuys waar ‘onmaatschappelijken’ aan het oog van de samenleving onttrokken werden. Door middel van zijn collectie (outsider)kunst en een zeer interactieve collectiepresentatie probeert het museum er stigma’s en taboes van ‘normaal’ en ‘gek’ te verbreken. Ook de huidige expositie van fotograaf Annaleen Louwes laat de bezoeker nadenken over deze vooroordelen. Louwes verbleef drie maanden als artist in residence op een psychiatrieafdeling in de arme buurt East Flatbush in Brooklyn, New York, op uitnodiging van Beautiful Distress – een stichting die aandacht genereert voor psychische ziektes door middel van kunstprojecten. Haar werk vertoont vaker affiniteit met dit onderwerp. Zo verbleef ze voor eerdere projecten onder meer in een Albanese vrouwengevangenis, een psychiatrieafdeling in Amsterdam, of combineerde ze haar werk met het archief van een Amsterdamse psychiater voor de tentoonstelling Louwes versus Meijers (2010), eveneens in het Dolhuys.

Op de afdeling in New York aangekomen voelde ze zich direct een buitenstaander. Niet alleen omdat ze zelf niet lijdt aan een psychische aandoening, maar ook omdat ze er de enige blanke persoon bleek te zijn in een voornamelijk zwarte gemeenschap. Hoe moest ze hier mee omgaan zonder meteen te stigmatiseren? Een stuk uit de introductietekst van de tentoonstelling blijft me bij: ‘Omdat Leo zo ongelofelijk snel en onverstaanbaar praat loop ik wat woorden achter. Hij heeft het over iets wat klinkt als een planet residue en ik probeer me wat brokstukken van de aarde voor te stellen… wat bedoelt hij nou?

Dan begrijp ik ineens wat hij zegt: we all suffer from a plantation residue.

Plantation residue… het blijft in mijn hoofd rondspoken.

Ik heb hier opeens te maken met iets waar ik als white person aan de andere kant sta, ongeacht mijn afkomst of levensovertuiging.’

Via haar werk bleek Louwes uiteindelijk een brug te kunnen slaan tussen haarzelf en de patiënten. Ze fotografeerde ze en begon te experimenteren met de negatieven. Door het kleurnegatief om te draaien sloeg de huidskleur op de foto’s om naar blauw, iets wat zowel bij een lichte als een donkere huidskleur het geval was. Toen ze dit resultaat toonde aan een van de patiënten ontstond er toenadering: plotseling wilde iedereen op deze manier door haar gefotografeerd worden. Voor Louwes zijn de geportretteerden inmiddels oude bekenden, en dit zie je ook terug in haar werk. Bij binnenkomst word ik direct geconfronteerd met close-up portretten van vijf mannen, uitvergroot in metershoge lijsten die op de grond tegen de muur aan staan. Ze kijken me indringend aan. Ik neem plaats op het bankje dat er enkele meters vanaf staat, en merk dat ik al snel begin te speuren naar ‘tekenen’ van gekte. Door de intieme maar neutrale manier waarop Louwes ze fotografeerde zijn deze er echter niet. En waarom zou het ook, vraag ik me tijdens mijn bezoek af. Waarop baseer ik dat gekte meteen herkenbaar zou kunnen zijn in deze portretten? Een overblijfsel uit de negentiende eeuw, waarin de Italiaanse criminoloog Cesare de Lombroso stelde dat je criminaliteit of gekte kon herkennen aan uiterlijke kenmerken? Taboes uit films, met wild met hun armen zwaaiende patiënten die spuitjes krijgen toegediend om ze te kalmeren? In werkelijkheid gaat het er in de psychiatrie uiteraard niet volgens deze stereotypen aan toe, en dit heeft Louwes prachtig vastgelegd. Ze fotografeerde de gezichten van de mannen van dichtbij, tegen een lege witte achtergrond. Geen verwijzing naar ziekte of omgeving. De geportretteerden ogen krachtig, maar tegelijkertijd ook kwetsbaar en bedachtzaam.

Op een andere muur in de tentoonstellingsruimte zijn drie foto’s gedrukt op lappen textiel, die bovenin met twee spijkers zijn opgehangen. De fotograaf vroeg de patiënten te poseren en te gaan liggen alsof ze sliepen. Een van de foto’s is zwart-wit, de middelste in kleur, en de laatste foto weer met omgekeerd negatief waarbij de kleding en de huid van de man blauw zijn geworden. Hierdoor is de afkomst van de geportretteerde eigenlijk alleen bij het eerste portret te herkennen: bij de andere foto’s is de huidskleur niet meer onderscheidend. Bij deze werken laat Louwes vooral de onschuld naar voren komen. Het resultaat is ontroerend en intiem. Op de introductietekst in de gang en een essay van Bianca Stigter dat je bij binnenkomst kan pakken na, zijn er overigens geen teksten in de tentoonstelling: geen namen, geen geschiedenis van de patiënten. Juist hierdoor kijk je misschien met een veel opener blik naar de foto’s, en dit maakt het project en de presentatie zo sterk. Louwes wilde de patiënten uit de context van de inrichting halen en ‘de mens in de mens’ vastleggen, ontkleed van de taboes en clichés die gelden voor psychiatrische patiënten. Juist doordat op deze portretten het individu zo naar voren komt zijn ze zo sterk en intrigerend. Het zoeken naar gekte laat je als bezoeker snel los, waarmee Louwes’ missie geslaagd is.

Katinka Duffhuis volgt de master museumconservator aan de Vrije Universiteit Amsterdam en werkte als conservator in opleiding bij Museum Boijmans Van Beuningen.