Ask the dust

Arne Hendriks

But anyone who has ever seen a piece of untouched nature is fortunate indeed. Maarten Evenblij, bioloog

Even if we leave nature alone, we still shape it with our gaze. Simonka de Jong, curator

Dat schreven Evenblij en de Jong in de catalogus van Wild Gliders, een tentoonstelling die vorig jaar te zien was bij Aschenbach en Hofland in Amsterdam. De expositie was een aanzet om de relatie tussen mens en natuur opnieuw te definiëren zonder te vervallen in het negatieve jargon van de milieuactivist. Sonja Braas, Henrik Hakansson, Felix Stephan Huber e.a. lieten zien dat gecultiveerde en genetisch gemanipuleerde natuur ook de moeite waard kan zijn en dat er bovendien niet meer aan te ontkomen is. Het was een besef dat me met gemengde gevoelens achterliet. Mijn eigen relatie met de natuur bleek van nostalgie en romantiek aan elkaar te hangen. Ik moest er weer aan denken bij het werk van de Zweedse kunstenaars Pär Strömberg en Magnus Monfeldt. In de schilderijen van Strömberg en de video-installaties van Monfeldt speelt het landschap een belangrijke rol. Maar niet zoals wij dat in Nederland kennen, kerkjes aan de horizon, een molen langs een dijkje, vader trekt zijn schaatsen aan. Het is een angstaanjagend natuurlandschap, meedogenloos en onverschillig. Het is, kortom, natuur zoals wij dat in Nederland al een tijdje niet meer kennen. Net als een jaar eerder werd ik me ervan bewust dat natuur in Nederland vaak niet meer dan een decor is waarin je de weg nooit zult kwijtraken en dat je niet bijten zal. In Zweden kan de natuur echter behoorlijk angstaanjagend zijn. Pär Strömberg benadrukt deze gewetenloze, gewelddadige aard door het landschap in zijn schilderijen getuige te maken van een misdaad (in een eerder werk schilderde hij al eens het natuurgebied waar de beruchte Zweedse seriemoordenaar Thomas Quick een Nederlands gezin ombracht). Met zijn penseel zoekt hij de omgeving af naar forensische sporen. Maar de bomen geven het geheim niet prijs. De seizoenen volgen elkaar op en herinneringen vervagen. De natuur is een onverschillige getuige. Je kunt haar alles vragen maar antwoord krijg je niet. Dat ervaart ook Magnus Monfeldt. De installatie van Monfeldt is een zeer specifieke reconstructie van een persoonlijk verleden gekenmerkt door drank en drugs. Een jeugdvriend van Monfeldt, Mad, werd slachtoffer van deze turbulente jaren. Hij zakte steeds verder weg in zijn verslaving aan alcohol en amfetaminen, vereenzaamde en maakte een einde aan zijn leven. Monfeldt en een aantal andere vrienden ontsnapten aan dit lot door het kleine stadje waar zij woonden te verlaten. De video ‘We have to talk about it’, is een poging van Monfeldt om met zijn weggemoffelde herinneringen in het reine te komen. Het verhaal speelt zich af in een woestijn.

Maar Monfeldt laat de toeschouwer al vroeg weten waar hij eigenlijk naar kijkt, "This isn’t the desert, you know. This is the dried up crust of my brain. It’s where we used to roam before the chemicals came and swept it all away…". Het dorre landschap is een spiegel van het schuldgevoel, de leegte en de eigen onmacht om iets aan de situatie te veranderen. We zien een andere jeugdvriend van Monfeldt, die ook deel uitmaakte van de groep rond Mad, door het bleke landschap lopen. Hij vraagt naar antwoorden maar krijgt ze niet. Er blijft niets anders over dan een kruis op te richten ter herdenking. Ook voor Monfeldt bestaat geen uitzondering, onverschillig laat de natuur de mens alleen met zijn gedachten. Ik bedenk me plotseling waarom ik vorig jaar de expositie Wild Gliders met zo’n dubbel gevoel verliet. Het beeld van de natuur dat daaruit naar voren kwam, met de mens aan de creatieve knoppen van de natuur, is nog een stuk angstaanjagender dan de kaalste woestijnen en de donkerste bossen in Zweden. Krijgen we toch een beetje van die enge natuur in Nederland.

ASK THE DUST, Magnus Monfeldt en Pär Strömberg, tm 5 mei

Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, Rozenstraat 59, Amsterdam

WILD GLIDERS, 29 sep tm 10 nov 2001

Aschenbach en Hofland, Bilderdijkstraat 165 C, Amsterdam

Geheel blanco liep ik de galerie binnen op de eerste zondag van de maand, had het rijk voor me alleen, samen met Kees van Gelder die ijverig zat te tikken. Na een route langs een opsomming van de succesnummers van de galerie, een foto van Voebe de Gruyter, een visueel en tekstueel dagboek van Maura Biava, een ingepakt ‘lintjesschilderij' van Twan Janssen, een foto van Myne Soe-Pedersen, de bank van Lily van der Stokker en de koelkast van Franck Bragigand stuit ik achterin de galerie op vijf ingelijste werken op papier. Ik zag foto's en dacht niet aan Ansuya Blom, ik dacht aan niemand. Mijn oog viel op het tweede werk aan de rechterwand: een gang met een hoek erin waarlangs over de hele hoogte haar waait alsof er een orkaan woedt. Wit haar dat bij nadere inspectie op het papier getekend blijkt te zijn. Een zeer onscherpe computerprint van een foto ligt ten grondslag aan de tekening. Ik kijk naar de volgende print en tekening. Ook hier is een gang te zien, langer deze keer, met zwarte gloeilampen aan de wanden. Dezelfde lichtblauw/grijze tinten als op de eerste foto domineren de architectuur. De witte tekening lijkt deze keer op een net dat over een flinke afstand aan een aantal punten is opgehangen in de gang. De andere werken zijn variaties op dezelfde gang met uiteindelijk voor mij dé clou: ik ontwaar het handschrift van Ansuya Blom. Het is de kluwen warrige lijnen die uitsluitsel geeft, ook op een foto, maar deze keer op een manier die ik herken. Ansuya Blom (1956, Groningen) is een oude bekende van Galerie van Gelder. In 1988 had ze er haar eerste solo. Ze is onlangs drie maanden in Londen geweest in het Center for Drawing.

The House of the Invertebrates is het resultaat van die periode. In een publicatie die ter inzage ligt, lees ik dat ze zich ontworsteld heeft aan de Nederlandse schildertraditie en nu het potlood, of eigenlijk de grafische pen, ter hand heeft genomen om te tekenen. Tekenen is voor haar zoiets als schrijven. Als je leert schrijven, staat er in het interview, dan is het net alsof de h een tekening is van een verticaal streepje met een boogje eraan vast. Pas als je bijvoorbeeld het woord hut leert schrijven, krijgt die h betekenis. Het feit dat de stam van het woord tekenen in het woord betekenis voorkomt, is veelzeggend voor de relatie tussen tekenen en schrijven, of, tussen het visuele en taal zou ik zeggen. Een letter is een tekening. De tekeningen van Blom zijn gebreide beelden van letters. In feite geeft Ansuya Blom haar tekeningen met deze foto's voor het eerst een achtergrond. Waar fotografie al niet goed voor is. De wezens zweven nog als vanouds, maar nu in een begrensde ruimte. Het waren oude foto's die ze ooit in een gebouw in New York maakte en die ze zich opeens herinnerde toen ze in Londen aan het werk was. Tweede factor die de herkenning van haar handschrift in de weg stond, is de kleur. Nooit eerder gebruikte Blom wit. Ze zegt in het boek: "Al klinkt het bot, ik was zwart gewoon moe. Misschien maak ik nog eens vergelijkbare werken in zwart." De witte ongewervelden waren rond in de gangen van het huis, uiteengereten, opgehangen in of aan netten. Ze zijn de lichte, bijna onzichtbare familie van de zwarte geesten uit Bloms series The secret life (1998 en 1999). De kunstenaar ontsluiert een deel van het geheim. De zwarte geesten die in hun eigen oude wereld zichtbaar zijn, worden onzichtbaar, dus wit, in de voor ons herkenbare wereld, die zich met fotografie laat vastleggen. Ze behuizen The House of the Invertebrates. Het blijkt maar weer: blanco een tentoonstelling bekijken laat meer geestelijke ruimte.

THE HOUSE OF THE INVERTEBRATES, Ansuya Blom, tm 3 apr

Galerie van Gelder, Planciusstraat 9B, Amsterdam, open di tm za 13-17.30, 1e zo vd mnd 13-17.30

Berend Strik en One Architecture, een kunstenaar en een architectenbureau, ontwikkelden samen een bejaardentehuis voor kunstenaars en wetenschappers. "Berend Strik & One Architecture propose to combine the different aspects of art, architecture, security and safety in a way that the building and it's inhabitants become a work of art themselves" zo staat er te lezen op een van de panelen waarmee zij hun onderzoek presenteren.

Het zoeken van relaties met de realiteit van alledag is een alomtegenwoordige tendens in de hedendaagse kunst. Kunstenaars als Berend Strik willen zich in hun werk verbinden met het leven. Ze houden zich bezig met sociale en maatschappelijke thema's en zoeken direct contact met hun publiek. Een manier om dit te bereiken is het aangaan van samenwerkingsverbanden met toegepaste kunstdisciplines zoals de architectuur.

Matthijs Bouw, architect bij One Architecture, gebruikt de beeldende kunst om zijn onderzoek te verrijken. Hij maakt gebruik van haar visuele en taktiele strategieën, bij het ontwerpen en voor de presentatie van die ontwerpen.

Bij Stroom is een aantal panelen te zien die wat betreft relatie tekst-beeld niet erg afwijkt van de ‘gewone' projectpresentaties van architecten. De toon van de teksten is wat brutaler en experimenteler en het beeldmateriaal is misschien gewaagder dan de doorsnee architectuurpresentatie. Naast de panelen hangen geborduurde doeken die duidelijk de hand van Berend Strik verraden. Een combinatie van geborduurde bloempatronen en referentieplaatjes die duidelijk moeten maken welke ouderenthema's belangrijk zijn voor de ontwikkeling van het project. Ouderen en techniek, ouderen en sex, ouderen en kunst, zijn voorbeelden van de gekozen thema's. Verder staat er een grote maquette van het gebouw dat het uiteindelijk resultaat moet worden van het project. Een nogal abstracte structuur waar ik me nog geen kreupele oudjes in rolstoelen en kwiek aquarelerende bejaarden in kan voorstellen.

Er is in deze presentatie althans, nog niet voldoende geïntegreerd. Het blijft een collage van kunst en architectuur, van hun wederzijdse technieken en strategieën.

De manier van denken en het uitgangspunt dat gekozen is bij dit project is misschien een stuk ‘creatiever' dan gewoonlijk het geval is bij architectuurprojecten. Maar wat het oplevert, behalve leuke ideeën en vrolijke borduursels, is onduidelijk. De presentatie is voor een kunstruimte te versnipperd, een heldere keuze was beter geweest. Nu kost het de bezoeker enorm veel tijd om echt in het onderwerp te duiken. Neemt de toeschouwer die tijd niet, dan blijft over: een sculpturale maquette en een paar geborduurde doeken met plaatjes van bejaarden, allerlei technische hulpstukken en bloemen. Wat de maquette en de borduursels met elkaar van doen hebben, geen idee.

‘WAYS OUT TO FIND THE RIGHT WAY IN. KRITISCHE UTOPISTEN', One Architecture + Berend Strik, Nils Norman, Kyong Park en Ocean Earth, tm 27 apr

Stroom, Haags centrum voor beeldende kunst, Spui 193-195, Den Haag, t 070 3658985, open di tm za 12-17

De schoonheid van klei

Sandra Smallenburg

Het lijkt wel of keramiek de laatste jaren aan populariteit gewonnen heeft. Lange tijd had het medium een wat truttig imago: het werd geassocieerd met hobbyistische pottenbakkers die op zolderkamers hun soepkommen en asbakken in elkaar kneedden. Bij het woord keramiek dacht je aan gebruikskunst als vazen en schalen, en niet aan vooruitstrevende autonome uitingen van beeldend kunstenaars. Ten onrechte overigens, want de verzamelnaam keramiek zegt alleen iets over het materiaal waarmee gewerkt wordt. Dankzij de inspanningen van het Europees Keramisch Werkcentrum in Den Bosch, dat vanaf de jaren negentig veel gedaan heeft aan de emancipatie van het medium, is de belangstelling voor het werken met klei nu groter dan ooit. Ook hedendaagse kunstenaars als Rob Birza, Gijs Assmann, Guido Geelen, Sigurdur Gudmundsson en Anish Kapoor hebben met hun keramische kunstwerken geholpen bestaande vooroor– delen uit de weg te helpen. Galeriehoudster Annemie Boissevain van de Amsterdamse galerie De Witte Voet is al meer dan vijfentwintig jaar voorvechtster van kunstenaars die met klei werken. Hoewel De Witte Voet bekend staat als keramiekgalerie, wil Boissevain volgens eigen zeggen in de eerste plaats actuele kunst laten zien. De huidige tentoonstelling in de galerie, een solo van de Belgische Anne Ausloos, laat zien hoe veelzijdig het materiaal klei kan zijn. In haar installatie Bezonken Suspensie (2001/2002) speelt de kunstenaar met de chemische eigenschappen van klei en zet die op een vindingrijke manier om in intrigerende beelden.

Het werk heeft op het eerste gezicht iets weg van een wetenschappelijke opstelling in een natuurhistorisch museum. Midden in de galerie staat een lange houten tafel waarop vreemde voorwerpen liggen die nog het meest op botten of boomtakken lijken. Tegen de wanden zijn witte planken getimmerd die plaats bieden aan glazen flessen met daarin ondefinieerbare substanties en poeders. Als in een echt laboratorium zijn alle flessen netjes genummerd. De beelden zijn het resultaat van een omslachtig en tijdrovend proces. Eerst legde Ausloos stukken klei in bakken met water. De klei lost dan langzaam op, zodat een suspensie ontstaat: een vloeistof waarin de kleideeltjes vrijelijk rondzweven. Na ongeveer een maand zijn alle kleideeltjes neergeslagen en heeft zich een egale laag op de bodem afgezet. Omdat de samenstelling van iedere kleisoort verschillend is, en de afzonderlijke deeltjes afwijkende zwaartes hebben, ontstaan steeds andere lagen. De echte kleimineralen zijn het lichtst en zullen dus steeds het laatste zinken. Vervolgens laat Ausloos het water weglopen en wordt de bezonken kleilaag een maand of twee gedroogd. De bovenste, pure kleilaag krimpt het hardst en trekt de andere lagen mee in zwierige krullen. Ieder kleibeeld heeft een ander uiterlijk. De klei die afkomstig is uit de Schelde heeft een donkere, vervuilde kleur, terwijl andere kleisoorten perfect babyroze of baksteenrood zijn.

De beelden zien er zeer breekbaar uit. De binnenste laag kleimineralen is gebarsten als een uitgedroogde rivierbedding en aan de buitenkant zijn de werken bedekt met een fluweelachtig laagje poeder. Het lijkt of ze bij een flinke zucht al kunnen vervliegen. Maar zoals alle keramische producten hebben ook deze objecten een tijdlang in de oven gelegen. Door het bakproces zijn ze versteend tot fossielen en dus eeuwig houdbaar. Je kunt je afvragen of het werk van Anne Ausloos nog wel als kunst te beschouwen is. Haar beelden zijn niet al boetserend tot stand gekomen, maar zijn het resultaat van een scheikundig proces van ontleding. Het toeval speelt daarin een grote rol. Zo bleken de glazen flessen die Ausloos met restjes pottenbakkersklei gevuld had, in de oven als plumpuddingen in elkaar te zakken. Ook ontdekte de kunstenaar dat wanneer ze vierkante klompen klei in water zette, er perfect ronde cirkels en symmetrische kruizen in het kleioppervlak ontstonden. Ausloos laat zich verwonderen door de verrassingen die de natuur voor haar in petto heeft en maakt daar dankbaar gebruik van. Maar hoewel ze, als een echte wetenschapper, alle stadia van het proces nauwkeurig op foto vastlegt, is ze niet uit op het ontdekken van bepaalde wetmatigheden. Als kunstenaar is Ausloos in de eerste plaats op zoek naar de schoonheid van klei.

BEZONKEN SUSPENSIES, Anne Ausloos, 9 feb tm 13 mrt

Galerie De Witte Voet, Kerkstraat 135, Amsterdam, t 020 6258412

Sweatshopsatire

Arne Hendriks

Wellicht dat u ze heeft zien zitten. Vier serieuze heren in donker pak, samengedreven in een hoeketalage van de Bijenkorf in Amsterdam. Ze borduurden in opperste concentratie aan een tafelkleed, ieder een hoek van het textiel tussen de onwennige vingers geklemd. Sinds 1999 verleidt de kunstenares Anne Verhoijsen mannen uit de culturele bovenlaag om deel te nemen aan groepsborduursessies. Voorafgaande aan het optreden in de Bijenkorf kregen de 107 deelnemers een uurtje borduurles in het atelier van Verhoijsen. Elk van de deelnemers werd verzocht de eigen naam op een zogeheten broddellapje te stikken. Volgens de kunstenares werden de mannen door deze rustgevende handeling voor een moment bevrijd uit een jachtig bestaan waarin zij zich met de mobiele telefoon aan het oor geklemd van vergadering naar vergadering spoedden. Het resultaat is dat we typische mannen zien die typisch vrouwenwerk doen. De nauwelijks prikkelende conclusie dat het hier naast een ontspanningstechniek toch vooral gaat om een afrekening met het traditionele rollenpatroon ligt wel heel erg voor de hand. Kunst die zo transparant is boeit over het algemeen niet lang. Om andere redenen is hier echter wel sprake van een geslaagd project. Terwijl voor de etalageruit door ondeugende kinderen en stoutmoedige vaders alles op alles werd gezet om de aandacht van het gezelschap te trekken borduurden de heren zonder reactie door. Zij hadden van Verhoijsen op ondubbelzinnige wijze te horen gekregen dat ze er geen prijs op stelde als er werd gepraat en dat er niet naar buiten mocht worden gekeken. De luchtige wijze waarop de deelnemers in eerste instantie waren benaderd werd in de Bijenkorf vervangen door opgelegde zwijgplicht en geëiste concentratie. De fysieke handeling met naald en draad werd eerder een straf dan een moment van meditatieve introspectie. De lol was er van af. Het borduren van de eigen naam gedurende de voorbereiding streelde misschien nog het ego van de deelnemers maar de invulling van voorgekauwde patronen deed eerder denken aan het geestdodende werk in illegale naaiateliers. In die zogenaamde sweatshops worden vrouwen tegen belachelijk lage lonen gedwongen merkkleding in elkaar te zetten voor westerse consumenten. Nu waren de heren in pak aan de beurt.

Museumdirecteur, kunstenaar en kunstcriticus waren verworden tot goedkope naaistertjes. De van de zijlijn toekijkende Verhoijsen leek in die context eerder een veeleisende opzichter dan een bemoedigende inspirator, evenals het publiek dat, met boodschappentassen vol merkkleding onder de arm, toekeek. En ook de andere borduurders konden wel eens niet te vertrouwen zijn. De deelnemer was plotseling onderdeel van een onfeilbaar controleapparaat waarin braaf doorwerken de enige optie was. Op geen enkele wijze konden de mannen nog ontsnappen aan de richtlijnen die Verhoijsen dicteerde. Zeker niet als je bedenkt dat Verhoijsen nog een perfect repressie-instrument had ingeschakeld, liefdadigheid. De naamlapjes en tafellakens werden op 23 december in Arti en Amicitiae geveild. De opbrengst kwam geheel ten goede aan het African Women Filmmakers Trust. Deze strategische meesterzet garandeerde dat tijdens de tientallen borduursessies iedereen kwam opdagen. Onder de deelnemers bevonden zich bekenden zoals kunstenaar Aat Veldhoen, hoogleraar Henk van Os en VVD coryfee Geert Dales. Anything for charity. Het charitatieve aspect maakt de cirkel met de sweatshop compleet. Nu gaan de opbrengsten eens niet naar rijke Europese of Amerikaanse multinationals maar naar een project dat vrouwelijke filmers in een ontwikkelingsland wil ondersteunen. Daar is werkelijk niets op aan te merken.

Uiteindelijk bleek iemand bereid 7500 euro te betalen voor klunzige stukjes huisvlijt waar de gemiddelde grootmoeder de neus voor zou ophalen. Het is dan ook zeker niet het textiele resultaat dat het project de moeite waard maakt. Het is de wijze waarop Verhoijsen het van de grond kreeg. De organisatie van het event. Stel je voor, ruim 100 deelnemers, waarvan vele van naam. Het is bepaald geen sinecure. De exploitatie van de deelnemers beperkte zich niet alleen tot de handenarbeid in de Bijenkorf. Om een zo goed mogelijke groep mannen te kunnen selecteren, parasiteerde Verhoijsen op schaamteloze wijze op de netwerken van de immer uitdijende groep deelnemers. Het is moeilijk Verhoijsen dit opportunisme aan te rekenen. Om een megaproject als dit van de grond te krijgen moeten nu eenmaal alle registers worden opengetrokken. Liever dan het modelleren van een homp klei of het vol smeren van een stuk linnen kneedt Verhoijsen bestaande sociale structuren tot een vervreemdend geheel. In dit geval heeft de werkwijze van Verhoijsen nog een aantal geborduurde lappen tot tastbaar gevolg maar evengoed ligt een volgende vorm besloten in moeilijker zichtbare structuren. In een aantal gevallen zal het publiek zich niet hebben gerealiseerd oog in oog met kunst te staan. Het maakt weinig uit. Door hedendaagse aspecten van kunst te combineren met een alledaagse handeling bleek Verhoijsen in staat de nieuwsgierigheid van een groot en gevarieerd publiek te wekken zonder te beknibbelen op betekenis. Betekenis die ligt besloten in de kneuterigheid van de geborduurde lapjes. Als het cool was geweest om mee te mogen doen, zoals menig man tijdens het borduren misschien toch een beetje gedacht zal hebben, was het zijn doel volledig voorbij geschoten. Ondanks de donkere pakken werden de heren in hun hemd gezet.

SPLITZIJ, VIER MANNEN EN EEN TAFELKLEED, Anne Verhoijsen, tm 6 jun

Nederlands Textiel-museum, Goirkestraat 96, Tilburg

In het museumweekend van 13 en 14 april zal Anne Verhoijsen opnieuw een performance met mannen uitvoeren.

Drukverschil, daarom draait het volgens de titel in de Watertoren AK van Oost-Souburg, een stadsdeel aan de rand van Vlissingen. Tot en met 14 april hebben vijf kunstenaars onder de noemer Decompressie speciaal werk voor de verschillende etages van het voormalig industrieel complex gemaakt. Daarbij is getracht nu eens geen horizontale maar verticale verbindingen te leggen; een opzet waarin Karin van Pinxteren, Frank Havermans, Paul van Osch, Frank Malcorps en Monique Camps op een niet voor de hand liggende manier geslaagd zijn. Zo omvat de sculptuur van hout en staalkabel van Frank Havermans uit het Brabants Heeswijk maar liefst drie etages. Gestoken door de hijsluiken in de vloeren en plafonds van de verschillende verdiepingen gaat het ogenschijnlijk bijna zwevende gevaarte een ingenieus ruimtelijk spel aan met de zware betonnen wanden van de watertoren. Daarbij wordt de kijker op ieder niveau gedwongen niet alleen recht vooruit te kijken maar ook naar boven en beneden. Bevindt dit bouwsel (KAPKAR TW 3902) zich onder in de toren nog hangend in de hoogte, naarmate de bezoeker opklimt, ontvouwt het zich als steeds zwaarder en massiever van aard, werkend en worstelend met de zwaartekracht. Vangen in eerste oogopslag vooral de staalkabels je blik, hoe hoger je komt des te meer ontzag krijg je voor de draagkracht van het houten skelet. Bovendien gaat met name dit hout -dat veel weg heeft van beschot- een dialoog aan met de kale robuuste betonwanden van de watertoren zelf. Vakkundig weet Havermans sculptuur en architectuur als vanzelfsprekend in elkaar over te laten vloeien.

Constructivistische no-nonsense op grote schaal is nu eenmaal het handelsmerk van zijn werkplaats KAPKAR. Overigens krijgt zijn werk in de watertoren van Oost-Souburg onverwacht ook nog een persoonlijke noot; onderzoek naar de ruimte wees uit dat Havermans' grootvader als aannemer in 1938 tekende voor de bouw van diezelfde toren. Maakt alleen Havermans' bijdrage al een bezoek aan de groepstentoonstelling Decompressie waard, ook de andere kunstenaars weten wel raad met de toren. Zo zijn de lauwwarme ouderwetse kruiken van Karin van Pinxteren hangend tegen de drie zwarte buizen waardoor vroeger het water van boven naar beneden werd afgevoerd misschien niet zo in het oog springend; maar wie ze eenmaal gezien en gevoeld heeft kan de neiging niet weerstaan om ze op iedere verdieping even aan te raken. 'Guide me' staat erop gezandstraald – een bezwering die uiteindelijk leidt naar de vierde verdieping waar een warm rood gloeiend licht uit een van de buizen opdoemt.

Indrukwekkend zijn ook de gipsen sculpturen van Bredanaar Paul van Osch, stuk voor stuk bekkens waarin water kan staan per verdieping oplopend in maat van klein naar groot. Voor aangepaste druk op een bruikbaar drama heet het werk dat hij aanbracht in het grote lege reservoir helemaal boven in de toren. Het ziet eruit alsof het er hoort, als een in onbruik geraakt maar nog altijd hygiëenisch altaar van vier onderscheiden bassins, weliswaar met wat bruine kalkafzet maar nog altijd schoon – van huid en van vorm. Hetzelfde geldt voor de vijf in een hoek van de tweede etage gemetselde fonteintjes. Ze doen denken aan oude schooltoiletten, aan een verre jeugd, al was het alleen maar omdat ze zo klein zijn en onder kniehoogte hangen. Ze refereren aan een herinnering – nog eens extra benadrukt door de ontbrekende kraantjes erboven, die ook geen nut meer hebben nu de toren leeg is en het water toch niet meer stroomt. Hebben de werken van bovengenoemde drie kunstenaars een zekere relatie met de locatie en de voormalige functie van de watertoren, de bijdragen van Frank Malcorps en Monique Camps hebben dat niet. Bovendien ontbreekt bij hen de verticale opbouw. Dat is jammer voor het concept van Decompressie als geheel; maar betekent niet dat hun werken op zich geen zeggingskracht hebben. De tekeningen van Malcorps zowel op papier als op de muur raken een gevoelige snaar, ze zinderen en trillen. Zijn drie-dimensionale collages daarentegen raken niet aan de ervaringen die de plek of het andere werk weten op te roepen. Hetzelfde geldt voor de grote foto's van Monique Camps. De geglazuurd glimmende kolibri en adelaar leveren weliswaar scherpe close ups op, net als de suggestieve schaduw van een adelaar en een hert in het bos. Maar meer dan plaatjes waarachter je een praatje vermoedt, dat weinig tot niets met het andere werk van doen heeft, worden het niet.

DECOMPRESSIE, tm 14 apr

De Watertoren AK, Vlissingsestraat/Rijksweg A58, Vlissingen, Oost-Souburg, open do tm zo 12-17

Tijdelijke ruimte

Vinken en Van Kampen

Vergeleken met meer traditionele kunsten communiceert videokunst directer met de beschouwer. Het bestookt immers meestal één zintuig meer (behalve het oog ook het oor) en het kan de factor tijd inzetten om een verhaal te vertellen of een ervaring te veroorzaken. Belangrijk is bovendien dat het beeldscherm licht uitstraalt, waarmee het de aandacht kan vangen en de geest in een andere tijd en ruimte kan brengen. Videokunst is een kunstvorm die traditioneel een experimentele en avant-gardistische beeldtaal gebruikt. Dit geeft het een voorsprong binnen een kunstcontext waarin het nieuwe nu eenmaal altijd aantrekkelijker wordt gevonden dan het oude. Videokunst genereert aandacht en vertoningen, maar vergt van de beschouwer ook kennis en een zekere openheid om te kunnen ‘werken’ op de manier zoals de kunstenaar die bedoeld heeft. Hier komt bij dat de middelen die de videokunstenaar in handen heeft ook gebruikt worden door andere media als televisie en film. Videokunst heeft weliswaar (mede) de filmische wetten doorbroken door de non-lineaire vertelling in te zetten en vertoning op meerdere schermen tegelijk te introduceren. Maar de overeenkomst met film en televisie is ook problematisch, want ieder mens in de eenentwintigste eeuw is inmiddels geprogrammeerd om hetgeen door deze massamedia geboden wordt op een bepaalde manier te consumeren. Een fysiek en psychisch noodzakelijke bescherming tegen ‘overload’ werd bij wijze van spreken ingebakken. De controle over de beeldenstroom, bijvoorbeeld door middel van zappen, is een overlevingsstrategie geworden. Daarom stelt videokunst eisen aan de manier waarop het gepresenteerd wordt. De toeschouwer moet verleid worden zich in het werk te verdiepen en zich de specifieke taal van de kunstenaar eigen te maken. Daarnaast moet het ongeduldige zapgedrag voorkomen worden door de omstandigheden te beheersen. Say Hello to Peace and Tranquility is een tentoonstelling van curatoren Iris Dressler, Hans D. Christ en Jan Schuijren. Dressler en Christ werken onder de noemer hARTware al langer samen in Dortmund, Schuijren was werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Mediakunst (Montevideo/Time Based Arts) en werkt nu zelfstandig. De tentoonstelling draait om de rol die taal en architectuur spelen in de constructie van onze werkelijkheid.

Een onderwerp dat in deze expositie met een zestal videowerken over het voetlicht wordt gebracht. De drie curatoren werken in hun tentoonstellingen meestal met mediakunst, maar zijn er niet in eerste instantie in geïnteresseerd om ‘technologie’ als onderwerp te tonen. “We weten dat de computer de wereld veranderd heeft, maar er zijn daarnaast nog veel andere onderwerpen die aan de kunst gerelateerd zijn. Het gaat ons niet om ‘het discours’ binnen de kunst, maar om het laten zien van verschillende contexten en realiteiten daarbuiten en de relatie die kunstwerken daarmee leggen”. Hun aanpak omschrijven ze als onderzoekend, zowel voor wat betreft de kunst die ze laten zien als ook voor de vorm waarin ze dat doen. Ze willen een context bieden waarin de interacties tussen kunstenaar, werk en beschouwer onderzocht worden, maar die ook de maakbaarheid van die context laat zien.

“Tentoonstellingen zijn altijd tijdelijke constructies. Een kunstwerk kan misschien wel honderden jaren in allerlei verbanden zijn actualiteit behouden, de actualiteit van een tentoonstelling duurt meestal maar zo lang als de vertoningsperiode.” In Dis.Location bijvoorbeeld, het eerste project waarin Christ, Dressler en Schuijren samenwerkten, werden de grenzen van de tentoonstellingsvorm getest: met zestien videowerken werden vier tentoonstellingen gemaakt in een tijdspanne van twee weken. Elke tentoonstelling belichtte een ander onderwerp en was anders ingericht, verschillende werken kwamen een aantal keer terug in verschillende combinaties. Het was een manier om meerdere facetten van een kunstwerk te kunnen laten zien, iets wat binnen één tentoonstelling over één onderwerp vaak niet mogelijk is. Daarnaast werd zichtbaar dat de context waarin een werk gepresenteerd wordt enorm bepalend is voor wat je er als toeschouwer uithaalt. Say Hello to Peace and Tranquility is duidelijk minder hectisch van opzet en maakt gebruik van andere middelen om de bezoekers te verleiden. Aan de inrichting wordt veel aandacht besteed. “De tijd van de zwarte doos – de mediakunstige tegenhanger van de witte kubus – is min of meer voorbij. Het is niet genoeg om te zorgen dat het donker is. Voor elk werk kun je de omstandigheden zo maken dat ze het optimaal laten zien. De richting van waaruit de toeschouwer binnenkomt, de afstand tot het scherm, de hoeveelheid bewegingsruimte die je als kijker krijgt en die soms meer en soms minder moet zijn.” Ook de volgorde waarin de kijker de werken te zien krijgt is van belang en specifiek voor deze opstelling in Montevideo. Niet alle werken die in Amsterdam vertoond worden zullen meereizen naar de volgende locatie waar Say Hello to Peace and Tranquility getoond wordt, in Kopenhagen. “Bij Montevideo werkt het in deze samenstelling goed, omdat een werk daar, door de gescheiden verdiepingen, relatief los kan worden gepresenteerd van de andere werken. In Kopenhagen, waar alles in één ruimte getoond zal worden, zou het op een ongewenste manier verbintenissen met de andere installaties aan kunnen gaan.” “Onze bedoeling is altijd om een tentoonstelling op meerdere niveaus interessant te maken, omdat we nu eenmaal niet te maken hebben met een eendimensionaal publiek. Hoe dan ook is het belangrijk dat mensen zich uitgenodigd voelen, dat de omgeving voor de toeschouwer comfortabel is. Ook, of juist, als het werk dat ze te zien krijgen ‘oncomfortabel’ is. Mensen die in Say Hello to Peace and Tranquility alleen op zoek zijn naar mooie beelden zullen die zeker vinden. De werken zitten technisch en visueel goed in elkaar en worden mooi gepresenteerd. Mensen die daarbij iets hebben met het onderwerp zullen er ook andere aspecten uit kunnen halen. Daarnaast willen we ook altijd de mogelijkheid inbouwen voor de bezoeker om afstand te nemen of zelfs achterdochtig te kunnen zijn ten opzichte van dat wat je krijgt voorgeschoteld.” Uiteindelijk willen we mensen natuurlijk bewegen om alle werken helemaal te bekijken. Wanneer je dat doet moet je voor deze tentoonstelling zo’n een tot twee uur de tijd nemen. Het werk van Gary Hill bijvoorbeeld – Why Do Things Get In A Muddle (Come on Petunia) – duurt een half uur en vertelt min of meer een verhaal met een begin en een eind. We hebben ervoor gekozen om het op aangegeven tijden te vertonen zodat mensen die tijd er echt voor uittrekken.” Als tentoonstellingsmaker kan je als je deze voorwaarden in acht neemt bijna niet anders dan directief zijn. Je plaatst werken in een context; ten opzichte van elkaar, een bepaald verwacht publiek en van het onderwerp dat je hebt gekozen.

Op zich een lastige positie want in de kunst is het niet gebruikelijk om meningen of betekenissen expliciet aan te sturen. De titel Say Hello to Peace and Tranquility is afkomstig van een van de getoonde werken en verwijst naar de structuur die door taal en architectuur aan de wereld gegeven wordt. De expositie laat illusies hygiëen harmonieën zien die door taal en architectuur geschapen kunnen worden en die doordrongen zijn van normen en waarden. Het titelwerk van Dagmar Keller en Martin Wittwer geeft een vervreemdende blik op een verlaten buitenwijk als een eindeloze aaneenrijging van strakke voortuintjes en brede trottoirs. Het is soft focus gefilmd en feel-good muziek benadrukt een soort ‘gezelligheid’ die toch ook behoorlijk oncomfortabel is om naar te kijken. Het is volgens Dressler, Christ en Schuijren vooral niet de bedoeling ten koste van de kunstenaars met een eigen agenda te werken. “De meeste werken laten een illusie zien, maar weten die ook te verstoren. Telkens wordt je geconfronteerd met iets dat niet klopt. Maar we willen niet suggereren dat wij als tentoonstellingsmakers ons ergens aan zouden kunnen onttrekken. De tentoonstelling is zelf ook een constructie en een hoogst tijdelijke ‘maquettewereld’. Er is een soort ‘ruimte-in-ruimte-situatie’ gemaakt en niet op een voor de bezoeker verborgen manier, maar juist openlijk en revelerend”. Taal en architectuur zijn instrumenten die onze perceptie van de werkelijkheid construeren, vorm en perspectief geven. Maar in feite zijn het tijdelijke, instabiele en kwetsbare constructies. Ze gaan over onze angsten voor instabiliteit, om controle te verliezen of onze vertrouwde relatie met de ‘werkelijkheid’ kwijt te raken. “Taal en ruimte worden getoond met betrekking tot hun controlerende functie. Maar in laatste instantie gaan de werken over noodzakelijkheden als identiteit, orde, geborgenheid, waarden”.

SAY HELLO TO PEACE AND TRANQUILITY, Met werken van Andreas Gedin, Gary Hill, Teresa Hubbard / Alexander Birchler, Dagmar Keller / Martin Wittwer, Franciska Lambrechts en Mike Marshall, tm 27 apr

NIM Montevideo/TBA, Keizersgracht 264, Amsterdam, open di tm za 13-18

Iedereen kan het zich voorstellen.
Je ontmoet ergens mensen, ze lijken aardig, je hebt een gezellige avond met ze en je nodigt ze routineus uit om een keer langs te komen.
De meesten zijn dat de volgende dag, als ze weer nuchter zijn, vergeten.
Ze komen nooit.
Gelukkig maar.
Zo hoort het.
Onlangs ging het mis.
Ze kwamen wel.
Met kerst.
Tot oud en nieuw.
"Anders was het de moeite niet waard."
Een lange zit die fataal moet aflopen.
Uiteindelijk kom je op het onzalige idee om een tentoonstelling te bezoeken.
Als je hem zelf toch al wilde zien.
Als de dagenlang durende gezelligheid je naar de strot vliegt.
Als ontbijten corvees worden en diners strafexercities.
Als je al minstens ‘225 jaar Hema' onder je vermoeide voeten door hebt laten gaan.
Als rondvaarten en kerken in je bangste dromen beginnen te verschijnen.
Als architectonische hoogstandjes op onneembare vestingen beginnen te lijken.
Als de zoveelste boom die je wilt opzetten voor de zoveelste keer strandt in oeverloos geleuter.
Als bezette badkamers moordneigingen bij je oproepen.
Als je het uitlaten van de hond ontzettend leuk begint te vinden.
Als de wc de enige plek is waar je nog tot rust kunt komen.
Of, erger nog, als je denkt dat je gasten wel wat cultuur kunnen gebruiken.
Dan neem je ze mee naar een tentoonstelling.
Dat deed ik dus ook.
Natuurlijk had ik beter moeten weten.
Natuurlijk had ik moeten beseffen dat, als ik het dan toch zonodig wilde, het Rijksmuseum het hoogst haalbare is.
Daar kun je lekker koppen kijken en haalt geen mens het in zijn hoofd om te zeggen "dat kan mijn zoontje van drie ook".
Daar dwingt de klassieke inrichting nog respect af en worden negatieve opmerkingen nog op fluistertoon geplaatst.
Daar zijn museumwachten nog museumwachten en geen studenten die verdiept in een boek bijklussen.
Nee, ik moest zonodig naar het Rotterdamse TENT., naar een tentoonstelling van Caribische kunst.
Voor mij een must, voor mijn gasten een moeten.
Bleek al gauw.
Eerst werd het gebouw gefileerd.
Sober en functioneel werden vertaald als "het geld was zeker op" en "een autoshowroom heeft nog meer sfeer".
Vervolgens ontstonden er discussies over wat Caribisch nu eigenlijk was.
"Hoort Suriname daar bij? Dan is de Bijlmer zeker ook Caribisch."
Het grapgehalte was om het zweet tussen je billen te krijgen.
Vervolgens werden de werken aan een deskundig oordeel onderworpen.
"Die had beter eerst een timmercursus kunnen volgen."
"Zo kan ik ook kunst maken. Gewoon de foto's van je ouders op een plankje. Lijstje eromheen, stofzuigerslang erboven en klaar ben je."
"Moet je kijken joh. Die gek heeft honderden bootjes zitten vouwen. Had zeker niks beters te doen."
"Krijg nou wat. Ben je net genezen van je geloof, moet je hier weer op een kerkbankje knielen. Mij niet gezien."
Ik probeerde me zoveel mogelijk los te maken van mijn gasten.
Het moest iedere bezoeker duidelijk zijn dat ik niet bij dat groepje barbaren hoorde.
IJdele hoop.
Pesterig haalden ze me er telkens luidkeels bij.
Geen mens die hen tot stilte maande.
De studenten lazen of deden alsof.
Ik had toch verstand van kunst?
Wat moest die stoel met spijkers dan betekenen?
Ik schreef toch stukjes?
Wat zou ik over die verbogen autobumpers zeggen?
Ik mompelde goedkope excuses, gaf trappen tegen open deuren en merkte dat ik steeds meer terrein verloor.
Ik wist dat iedere discussie zinloos was.
Ik wist ook dat het over zou komen alsof ik zelf evenmin verstand heb van dit soort kunst.
Ik werd dom met de dommen.
Ieder volgend kunstwerk deed mijn gezag verder schrompelen.
Zelden heb ik zo opgelucht een museum of galerie verlaten.
Zelden heb ik me zo enthousiast in het ordinairste café in de straat vol laten lopen.
Zelden heb ik me zo beroerd gevoeld.
Er komt bij mij geen gast meer over de vloer.
En die tentoonstelling in TENT.?
Ik ben een paar dagen later teruggegaan.
In mijn eentje.
Incognito.
Geweldig.
Zo zouden er meer gemaakt moeten worden.
Maar wat mij betreft is een discriminerend deurbeleid toegestaan.
Voor onverlaten verboden. 

(Re)constructies

Martijn Verhoeven

‘We offer sex, free internet access, beer party, manga, stuff that moves, standup comedians!’ zo prijst de organisatie van kunstenaarsinitiatief Room op de uitnodigingskaart de nieuwe tentoonstelling met de titel M3 aan. Als ironisch commentaar ongetwijfeld op de cultuurpolitieke bedoelingen van Rick van der Ploeg om meer jongeren kunst te laten kijken, want eenmaal binnen zijn geen internettende jongeren, mangafilms of discodreunen te bekennen. Integendeel, de tentoonstelling M3 is een intieme, klassiek opgezette tentoonstelling met het werk van Kees Goudzwaard, AE Kliest en Rene Roeten, waarbij het thema ‘model’ centraal staat. Het videowerk van Kliest is daarbij het meest intrigerend. Constante factor in zijn videoinstallatie, die bestaat uit vier monitoren, is een slapende vrouw in een vliegtuig, close-up gefilmd. Naast dit beeld worden andere videoloops gedraaid. die alle dezelde tijdsduur hebben, maar door kleine onregelmatigheden toch verschuiven ten opzichte van elkaar. De beelden zijn op het eerste gezicht willekeurig naast elkaar geplaatst. We zien een man bezig met een puzzel, een wijds landschap, gefilmd vanaf grote hoogte en straatopnames van een grote stad (New York? Londen?). Bij nadere bestudering blijken de beelden echter wel degelijk een onderlinge verwantschap te vertonen. De puzzelstukjes blijken deel uit te maken van een puzzel van de Empire State Building, en oplichtende figuren blijken video’s die op maquettes worden geprojecteerd.

Kliest laat het idee constructie en reconstructie iedere keer op een andere wijze terugkomen en laat ons soms twijfelen over het waarheidsgehalte van het beeld: is het landschap, vanuit de lucht bekeken, wel echt of een modeltrein landschapje? Zijn de straatbeelden met figuren die op het trottoir van hun huis zitten wel documentaire beelden of constructies waarbij elke persoon zijn eigen rol speelt? Soms lijkt het alsof alle voorbijschiende beelden zich slechts afspelen in het hoofd van de slapende vrouw in het vliegtuig, als in een onrustige droom. De sex, het internet en de stand up comedians heb ik in ieder geval geen moment gemist.

M3, werk van Kees Goudzwaard, AE Kliest en Rene Roeten, tm 26 jan

Room, Benthuizerstraat 96 B, Rotterdam, t 010 4773880, open vr tm za 13-17

11-09-2002

Rob Malasch

11-09-2002. Veel erger dan verleden jaar mag het komende september niet worden. "When worse comes to worst, it has to become better…" zal 2002 ons hopelijk leren: er zijn op het beeldende kunst platform veel hoofd- en bij zaken in de ‘Pipeline', die voorlopig heus weleens als belangwekkend beschouwd kunnen gaan worden.

Allereerst komt begin april NRC-critica Renée Steenbergen dan eindelijk met haar Magnum Opus ‘Iets wat zoveel kost, is alles waard', het 500 pagina's dikke boek over verzamelaars van moderne kunst in Nederland, dat alles in zich heeft een klassieker te worden. Zoals haar uitgever Vassallucci fijnzinnig weet te melden: "De kunstverzamelaar in Nederland dient snel op de lijst van beschermde diersoorten te worden bijgeschreven," luidde in 1990 het oordeel van een panel specialisten uit de kunstwereld. Vraag 1: wie waren die specialisten uit de kunstwereld? Toch niet weer Jan van Adrichem en/of Helen van der Mey en /of Martijn van Nieuwenhuysen, die binnenkort het Stedelijk Bureau Amsterdam gaat inwisselen voor iets in Londen: ICA of misschien wel de Tate Modern. Geert Dales misschien? Ik kan niet wachten wie dat panel was. Dat kunnen we ongetijfeld in Steenbergens promotieverslag opzoeken. ‘Iets wat veel kost, is alles waard: verzamelaars van moderne kunst in Nederland' zal ongetwijfeld verplichte kost worden voor iedereen die weleens verder kijkt dan zijn smaak lang is.

Veel ellendiger dan het flutboekje van de Boekmanstichting onder redactie van dr. Truusje Gubbels met als ronkende titel: Kunst te Koop of Voor Veel Geld kun je Kunst kopen kan het onmogelijk worden. Als we Truusje moeten geloven, moeten alle moderne galeristen en masse bij diverse bankinstellingen (het liefst de BoerenleenBank) substantiële (lees torenhoge) leningen en/of kredieten aanvragen om net als onze Britse (lees Londense kennisenkring of voormalige werkgevers van Helen van der Mey) collegae professioneel aan de weg te kunnen timmeren. De banken van het midden -en kleinbedrijf zien de aspirantleden van de Nederlandse Galeriebond onder leiding van galerie Nouvelle Images uit de hofstad in rijen van tien al aan komen. Dat kan nog lachen worden bij accountmanagersbalie. Mag ik hopen dat er in godsnaam daar dan geen bloed gaat vloeien. Is het inhoudelijk idealisme dan werkelijk helemaal uit het zicht verdwenen dankzij de eigentijdse galerist, die zo nu en dan weleens wat verkoopt? Ben bang van wel…maar dat is maar goed ook. Want Kunst en Commercie hoeven elkaar natuurlijk niet in de weg te staan. Zie Warhol en luister toch eens naar de jonge heer Frans Haks, die het al decennia luidkeels overal en nergens heeft geroepen en zelfs niet te beroerd blijkt te zijn om bij Opium Teevee (Wat zijn langste uitzendtijd al weer gehad heeft) aan onze lieftallige Harmke Pijpers nog maar eens uit te leggen dat Mendini's tandenstokershouder niet alleen commercieel, want heel betaalbaar, maar ook kunst is. Bovendien is die tandenstokerhouder heel snoezig om te zien. Het toch al geen-door-deweekse gezicht van Pijpers viel volkomen uit haar, tja waaruit eigenlijk? Zelden zo'n afgrijselijke grimas op het scherm kunnen verdragen; het leek wel Francis Bacon in eigen persoon.

Altijd meer dan de moeite waard zijn de komende tentoonstellingen bij galerie Fons Welters. Fons, altijd de rust zelve en nog steeds gewoon met zijn poten in de Limburgse löss. Maar wat een leuke visie op moderne kunst. Altijd hogelijk verrassend. Gewoon de beste galerie van Nederland. Paul Andriesse eat your heart out. Welters weet als geen ander onze vaderlandse kunst een authentiek belang te geven. En het zou mij niet verbazen als Welters ook nog behoorlijk goed verkoopt. Veel adequater en daardoor spannender dan onze zogenaamde Britse voorbeelden.

Misschien mag Anthony D'Offay, die nu toch zijn galerie heeft opgedoekt, een tijdje stage lopen in de Bloemstraat. Ook Maureen Paley, Sadie Coles, Victoria Miro en Jay Joplin kunnen bij Welters nog heel veel leren en daar hun voordeel mee doen. U ziet maar weer; commercie is kunst.

Gele Koorts

Pablo Cabenda

Het heeft de suggestie van huid maar het beeld is te onscherp om zekerheid te bieden. Pas als je heel dicht op de foto zit, kun je iets van huidstructuur ontdekken. Dan zie je ook dat de minuscule tattoeages eigenlijk tekens zijn die op de foto zelf zijn aangebracht. Alleen die vieze vlieg is ondubbelzinnig aanwezig. Zes foto's van de Chinese kunstenaaar Ni Haifeng dragen de titel Asian Yellow. een titel die in combinatie met de foto's gelijk associaties oproept met gele koorts (de vlieg!) of het gele gevaar. Niet toevallig, want Haifeng, die in Zhousan in de buurt van Sjanghai is geboren, maakt graag gebruik van zijn eigen huid of lichaam om een statement te maken over raciale stereotyperingen. Wat is immers een beter visitekaartje voor je ras dan je huidskleur?

Op de expositie Unpacking Europe in Boijmans Van Beuningen doet Haifeng hetzelfde. Maar waar de beelden daar eenduidiger zijn in hun politieke geladenheid zijn de fotoseries in Pand Paulus in Schiedam poëtischer, mysterieuzer én onbegrijpelijker. Voor de foto's in Boijmans heeft Haifeng zichzelf ook beschilderd met bloempatronen maar wel in de kleur die wij in Nederland hebben geclaimd voor ons‚ Delft Blauw. Die kunst is van Chinezen afgekeken. Haifeng reclaimt en toont daarmee een dubbel staaltje raciale stereotypering. Zijn eigen gele huid als uithangbord met daarop het Chinees eigene van versierd porcelein. Haifeng, die in Amsterdam woont, wordt zo als een stukje modern geïmporteerd chinoiserie in een tegelijk serieus en ironisch commentaar. In Schiedam hangt een dergelijke tatoeagefoto. Het achterwerk van de kunstenaar is versierd met dezelfde bloemmotieven. Maar de afdruk is hier in zwart/wit en omdat de associatie met het Delfst Blauw zo wegvalt, is gelijk het effect minder sterk. Echt vrijblijvend zijn de vijf levensgrote portretten van marionettenkoppen. Haifeng heeft een breed exposé nodig, over de mens van de toekomst en die van het verleden, om het werk zwaarte mee te geven. Maar in de foto's zelf komt dat verhaal niet naar voren. De installatie The Constituents boeit langer. Over vijf fotoportretten van mensen met een hondenmasker op worden definities en typeringen van diverse mensenrassen gegeven, verzameld uit allerlei encyclopedieën. Een bulk van dwingende informatie bestookt herhaaldelijk de koppen als een vuurpeloton de veroordeelden. Maar ze blijven stoïcijns voor zich uit staren en geven hun gezicht letterlijk niet prijs terwijl ze worden gebombardeerd met datgene wat ze geacht worden te zijn. Alsof ze zich weigeren neer te leggen bij welke opgelegde definitie dan ook.

NI HAIFENG, tm 17 feb

Pand Paulus, Korte Haven 125, Schiedam, t 010 4261557, open wo tm zo 13-17 en op afspraak

De laatste editie van de prestigieuze Sonsbeek tentoonstellingsreeks kunt u zich misschien nog herinneren door de aanvaring tussen de maker van de tentoonstelling, Jan Hoet, en de plaatselijke ouderenpartij AOV/Unie 55+. Deze politieke partij gaf een boekje uit met foto’s van zelfbedachte ‘kunstwerken’ als persiflage op een aantal werken uit de officiële tentoonstelling die niet erg geapprecieerd werden. Tot grote schrik van bijna iedereen voelde Jan Hoet zich geroepen de oude besjes tot nazi’s, Vlaams Blokkers en fascisten uit te maken. Het is moeilijk te geloven dat hij het serieus meende. De geur van een bewuste publiciteitsstunt trok in dikke slierten door de straten van het verder zo lege Arnhem. Publiek kwam namelijk voor de zoveelste keer nauwelijks op het evenement af. Onlangs werd een boek, Als de kunst erom vraagt, gepubliceerd dat laat zien dat het niet de eerste keer is dat de hooggespannen verwachtingen van Sonsbeek niet bewaarheid worden.

Tegenvallende bezoekersaantallen, een walgende pers en woedende tentoonstellingsmakers veranderen onze nationale trots keer op keer in een tragikomedie. Het is overigens niet de bedoeling van deze publicatie om een opsomming van missers te geven. De drie auteurs, Marga van Mechelen en Jeroen Boomgaard, beide kunsthistoricus en Camiel van Winkel, publicist, stellen zich tot doel aspecten van Sonsbeek te analyseren die voor de ontwikkeling van de beeldende kunst van grote betekenis zijn geweest. Het boek concentreert zich op drie tentoonstellingen, Buiten de perken in 1971 met aan het hoofd Wim Beeren, Sonsbeek 86 met als curator Saskia Bos en Sonsbeek 93 van de Amerikaanse tentoonstellingsmaker Valerie Smith. Omdat het boek nog geschreven is voor de tentoonstelling van vorig jaar komt Hoet’s bijdrage er helaas niet in voor. In 1971 kreeg Sonsbeek een andere opzet dan voorheen. De functie als overzicht van moderne beeldhouwkunst was Sonsbeek kwijtgeraakt aan het Kroller-Müllermuseum. Om de ambitie als culturele hoofdstad van het oosten waar te maken wilde Arnhem voortaan de nieuwste ontwikkelingen binnen de hedendaagse kunst tonen. Deze verandering voltrok zich niet zonder problemen. De lezer krijgt een aardig inzicht in het getouwtrek dat aan Sonsbeek voorafgaat omdat auteur Marga van Mechelen zeer bedreven blijkt in het verzamelen van details. Sonsbeek Buiten de perken, de titel spreekt boekdelen, werd een kolossaal project met dependances van Groningen tot Maastricht. Het was praktisch onmogelijk om de gehele tentoonstelling te zien. De onoverzichtelijkheid leidde tot een negatieve houding bij publiek en in de pers. De zesde editie in 1966 ontving nog ruim 80.000 bezoekers. ‘Buiten de perken’ moest genoegen nemen met een aantal van 20.000. Dit was koren op de molen van de plaatselijke Bond van beeldend kunstenaars, de BBK, die vanwege de hoge kosten en het elitaire karakter van de kunst al eerder grote bezwaren maakte tegen het project. Pas in het artikel van Jeroen Boomgaard lukt het om Sonsbeek ook werkelijk te verbinden met maatschappelijke gebeurtenissen op wereldschaal. Dat is een beetje laat maar wel zo verfrissend. Hij wijst erop dat Beerens begrip van de hedendaagse kunst verankerd lag in de idealistische jaren zestig terwijl het begin van de zeventiger jaren juist gekenmerkt werd door een radicalisering van allerlei maatschappelijke groeperingen. Sonsbeek 71 kreeg daarom de kritiek dat het werk niet geëngageerd genoeg was.

Een ander trauma, dat de verhoudingen binnen de kunstwereld nog jaren zou bepalen, kwam voort uit het pijnlijke besef dat hedendaagse kunst het niet meer kon stellen zonder een groep specialisten die de kunstcontext beschermde en het publiek over betekenis informeerde. Voor Wim Beeren was dat een grote tegenvaller omdat hij de afstand tussen kunst en publiek juist wilde verkleinen. De nieuwe positie van de kunstspecialist werd haarscherp duidelijk. Camiel van Winkel: ‘de kunst bood opeens geen warme mantel meer, die het institutionele skelet van de kunstproductie kon camoufleren. Integendeel, de meest radicale kunstenaars deden niets anders dan dat skelet- en hun eigen afhankelijkheid ervan- te reflecteren, om die reflectie vervolgens als kunstwerk te presenteren.’ Het zou jaren duren voordat de schaamte van een hele generatie kunstspecialisten weer was weggepoetst. De bijdrage van Camiel van Winkel bereikt zijn hoogtepunt in de bewering dat dit trauma pas kon worden weggepoetst met de opkomst van de Neue Wilden in Duitsland. Deze kunstenaars hadden vooral behoefte aan persoonlijke expressie en moesten niets hebben van intellectualisme. Het werk was uitermate geschikt om de ontboezemingen van de jaren zeventig te camoufleren. Wim Beeren behoorde dan ook tot de eerste museumdirecteuren die een tentoonstelling van dit werk organiseerde. Of het allemaal echt zo gegaan is. Van Winkel slaagt erin om de hele kunstscene in een keer verdacht te maken en dat is best knap. Het zou na Beerens Sonsbeek overigens vijftien jaar duren voordat Arnhem toe was aan een vervolg. De geschiedenis van Sonsbeek 86 leest als een cliché van de jaren tachtig. Om een nieuw trauma te voorkomen mocht het in geen geval een financieel debacle worden. Gelukkig stonden de sponsors in de rij om zich aan Sonsbeek te binden en kwam het publiek, aan de hand van een geoliede publiciteitsmachine, in groten getale opdagen.

Saskia Bos beperkte de presentaties tot Arnhem waardoor alles makkelijk bereikbaar bleef. En ook gemor bleef in de maatschappelijk rustige jaren tachtig achterwege. Het postmodernistische cynisme vierde hoogtij. Inhoud stond te boek als onbetrouwbaar en gevaarlijk. Saskia Bos selecteerde voornamelijk werk dat leek te pronken met zijn oppervlakkigheid. Het dubbelzinnige concept kwam erop neer dat hoewel kunst kan laten zien dat zij leeg is, zij er niets aan kan veranderen. Voor de lezer is vooral de gedateerdheid van deze denkbeelden ontluisterend. Het toont de kracht van de eenvoudige techniek van de historische vergelijking die de auteurs in Als de kunst erom vraagt gebruiken. Sonsbeek ’86 voegde geen nieuw trauma toe. In zijn beperkte ambitie lijkt de manifestatie van 1986 echter vooral een monument voor het trauma van Buiten de perken. Camiel van Winkel: ‘In de kroniek van kunsttentoonstellingen in Park Sonsbeek symboliseert de editie van 1986 vooral het uitgestelde rouwproces over de onmogelijkheid van authentieke ervaringen- de onmogelijkheid die zich in de reacties op Sonsbeek 71 zo pijnlijk manifesteerde’. Voor de auteurs lijkt het allemaal ook niet erg inspirerend. Van de drie tentoonstellingen komt de editie van 86 er gezien het kleine aantal pagina’s ronduit bekaaid vanaf. Het zou misschien best de moeite waard zijn geweest om nader te onderzoeken waarom er veel publiek op afkwam.

In 1993 was het kunstklimaat weer aan het veranderen. Hoewel rond deze tijd het laatpostmodernisme van Jeff Koons de wereld veroverde liet de Amerikaanse curator Valerie Smith een heel ander geluid horen. Sonsbeek 93 stond aan het begin van een campagne die de maatschappelijke expertise van de beeldende kunst wilde herwaarderen. Smith wilde aandacht voor inhoud, ging op zoek naar contact met het publiek, en wenste grenzen tussen leven en kunst te overschrijden. In een poging de fouten van 71 te voorkomen moesten de kunstenaars werk maken dat ‘echt‘ midden in het leven stond. Boomgaard citeert Smith: ‘Daarom gaat de door mij voorgestelde tentoonstelling in zekere zin niet over het ontsnappen in een fictieve, esthetische wereld, een wereld van schone illusies, maar moeten de projecten van de kunstenaars gaan over de werkelijke thema’s die afkomen op het innerlijk ik, het lichaam en zijn relatie met de omgeving’. Het ging direct weer fout. In eerste instantie voornamelijk doordat Smith niet in staat bleek om haar ideeën tot een bevredigende uitvoer te brengen. Ten tweede doordat werken vaak zo onopvallend of slecht geplaatst waren dat mensen ze niet konden vinden of eraan voorbij liepen zonder te beseffen dat het zich hier om kunst handelde. Sonsbeek 93 demonstreerde opnieuw dat de relatie tussen kunst en het publiek erg problematisch is geworden. Er kwamen minder bezoekers dan ooit tevoren. Ze maakte het zo bont dat dit keer zelfs de specialisten niet wisten wat ze ermee aanmoesten. Maar goed, ondanks, of misschien dankzij, de vele mislukkingen die Als de kunst erom vraagt ontbloot, laat het boek goed zien dat falen vaak tot interessantere situaties kan leiden dan slagen. Zelfs Sonsbeek 93 begint langzaam als concept waardering te oogsten. De maatschappelijke discussie die de mislukking voortbrengt is veel meer waard dan de relatieve stilte die een ‘decoratieve’ tentoonstelling als Sonsbeek 86 voortbrengt. Overigens denk ik dat als men het in de tachtiger jaren niet zo druk had gehad met geld verdienen er best een heleboel mensen boos waren geworden. Misschien komt dat nog. Het is jammer dat daar in het boek geen aanzetje voor wordt gegeven. In de inleiding vraagt redactrice Miriam van Rijsingen zich af wanneer de tijd klaar is voor de kunst die zij voortbrengt. Je kunt alleen hopen dat dit moment nooit gelijk zal vallen. Het is de spanning tussen beide, die kunst tot een krachtige maatschappelijke impuls kan maken.

ALS DE KUNST EROM VRAAGT. DE SONSBEEKTENTOONSTELLINGEN VAN 71, 86 EN 93, redactie Jeroen Boomgaard, Marga van Mechelen, Miriam van Rijsingen, ISBN 90 76187 04 5