Peter Saul, MONA LISA THROWS UP PIZZA, 1995 (particuliere collectie, Frankrijk)

In juli 1971 gingen de Rolling Stones in vrijwillige ballingschap. Ze zonderden zich af in Zuid-Frankrijk en werkten daar aan Exile on Main St., een door rock & roll, blues, country en soul beïnvloed dubbelalbum. Deze pluraliteit aan invloeden zorgde voor een grote onderlinge variatie in de nummers. Vanwege haar experimentele karakter wordt Exile on Main St. tegenwoordig beschouwd als één van de beste albums aller tijden. Redenen genoeg voor het Bonnefantenmuseum om de titel van dit album te gebruiken voor een overzicht van kunstenaars die ervoor kozen zich niet te conformeren aan de geldende norm in de beeldende kunst, maar om hun eigen weg te gaan en invloeden die afweken van de mainstream te exploreren. Zodoende toont deze tentoonstelling met de ondertitel Humor, overdrijving & dwarsigheid in de Amerikaanse kunst negen buitenbeentjes, geboren tussen 1903 en 1941.

De geselecteerde kunstenaars zijn door hun afwijkende keuzes niet te plaatsen in de belangrijke naoorlogse kunststromingen, wat hun bekendheid niet ten goede is gekomen. Het is een lang gekoesterde droom van Alexander van Grevenstein, directeur van het museum, om daar verandering in te brengen. Het resultaat is niet een groepsexpositie, maar een verzameling solo’s en enkele signalementen. Net als de songs op het dubbelalbum van de Stones tonen de individuele presentaties op de tentoonstelling een grote verscheidenheid. De tegendraadsheid van deze kunstenaars is niet eenduidig. Elk heeft zijn eigen voorkeuren en afkeuren, zijn eigen fascinaties. Toch zijn er ook gemene delers. Over het algemeen lijkt er een voorkeur te bestaan voor een uitbundig kleurgebruik en de meeste kunstenaars werken figuratief. Er zijn invloeden vanuit de massacultuur, zoals strips en pin-ups, maar tegelijkertijd tonen de kunstenaars zich ook bewust van de kunstgeschiedenis, om daar vervolgens op allerlei manieren tegenin te gaan.

De werken van Peter Saul lijken de ondertitel van de tentoonstelling nog het best te belichamen. Bij het zien van zijn kleurrijke, cartooneske schilderijen, waarin zowel kunst als politiek het moeten ontgelden, valt een grijns soms moeilijk te onderdrukken. Zijn omgang met de afgebeelde onderwerpen is nogal bruut en vaak bewust politiek incorrect, maar niet zonder gevoel voor humor. Vreemde figuren uit de geschiedenis, beeldende kunst en strips bevolken zijn doeken. Dali in Trouble uit 2004 toont de beroemde surrealist met twee hoofden. Dalí lijkt van alle kanten aangevallen te worden. Vanuit de lucht daalt een grote duim neer op één van de hoofden, het andere lijkt verschrikt om zich heen te kijken. Daar ziet hij een Donald Duck met grote tanden en uitpuilende ogen die op fallussen lijken en een detective die hem neerschiet met een kogel die zich verschillende malen door zijn lichaam boort. Op de achtergrond, ook op stripachtige wijze geschilderd, kijkt de kunstenaar toe. In tegenstelling tot deze verwarrende en chaotische voorstelling is Sauls schilderstijl juist erg zorgvuldig. Binnen nette lijnen brengt hij vloeiende kleurschakeringen aan door de verf voorzichtig op het doek te tamponneren. Deze techniek gaat soms wat vervelen, maar de taferelen blijven boeien.

Hoewel Saul in zijn werk spot met Dalí, is zijn werk net als dat van de overige exposanten geworteld in het surrealisme. Wars van sublimatie brengen de kunstenaars niet alleen hun kritieken ongegeneerd in beeld, maar ook hun fantasieën en dromen. Voor William Copley was Magritte zijn grootste inspiratiebron. De bolhoed, die in verschillende van zijn werken opduikt, verwijst hiernaar. Copley stond in contact met verschillende surrealisten, die hij uit Parijs kende. Hij verhandelde hun werken kort na de oorlog in zijn galerie in Los Angeles. Het meest nauw verwant aan het surrealisme lijken echter de werken van Steve Gianakos die hij vervaardigde in de jaren negentig. Gianakos mixt verschillende beelden door elkaar door delen over elkaar heen te kopiëren of te plakken en dit proces vervolgens te herhalen. Zijn materiaal, waarin het vrouwenlichaam centraal staat, komt uit strips, reclames en illustraties. Hij manipuleert de afbeeldingen van vrouwen door ze te combineren met beelden van kinderen, dieren, meubelstukken en apparaten. Het resultaat zijn zeer gelaagde werken, die illustraties lijken van een bizarre, erotische droom uit het onderbewuste van de kunstenaar.

Op de platenhoes van Exile on Main St. staat een collage van artiesten die van hun bijzondere lichamelijke kenmerken hun beroep hebben gemaakt. Hun vreemde kwaliteiten zijn onvergelijkbaar, maar door ze bij elkaar te plaatsen wordt het afwijkende enigszins getemperd. Iets vergelijkbaars is gebeurd bij de tentoonstelling Exile on Main St. Samen doen deze negen kunstenaars niet meer zo zonderling aan en komen zelfs overeenkomsten aan het licht. Daarbij lijkt het soms weinig uit te maken of de werken in de jaren zestig of recent tot stand zijn gekomen. Ze zijn door hun eigenzinnige karakter moeilijk in de tijd te plaatsen. In de huidige tijd, waarin vrijwel alle kaders van de kunst doorbroken zijn en geen enkele inspiratiebron of beeldcultuur de kunstwereld nog vreemd is, hebben deze werken toch een plek gevonden. Net als de muziekstukken op een album vormen de kunstwerken in een tentoonstelling idealiter een nieuw geheel. Vanwege de inrichting, gebaseerd op kunstenaarssolo’s in plaats van op individuele kunstwerken, gebeurt dit bij Exile on Main St. echter met mate. Wellicht was het interessanter geweest om de werken van de verschillende kunstenaars door elkaar te hangen. Dan waren niet alleen de kunstenaars, maar ook de kunstwerken sterker uit hun isolement gehaald.

EXILE ON MAIN ST.
Richard Artschwager, William Copley, Steve Gianakos, Alfred Jensen, Peter Saul, John Tweddle, John Wesley, H.C. Westermann en Joe Zucker
17 februari t/m 16 augustus 2009

Bonnefantenmuseum
Avenue Ceramique 250, Maastricht

Steve Gianakos, UNTITLED, 1994 (foto: Peter Cox)
John Wesley, THE LAST FISH, 1974 (particuliere collectie)

Huis Marseille staat de komende tijd in het teken van de familiefotografie. Het museum toont de serie Hollandse Huishoudens van Taco Anema (1950), die een brede blik geeft op de vele kleuren en smaken van het tegenwoordige Nederlandse gezinsleven. Daarnaast is in Huis Marseille een bijzondere serie te zien van de oudste familieportretten van Nederland, afkomstig van de bekende Haarlemse drukkersfamilie Enschedé.

FAMILIE!
7 maart t/m 24 mei 2009
Huis Marseille – museum voor fotografie

www.huismarseille.nl
Keizersgracht 401, Amsterdam

Boekie Woekie

Bas Fontein, Dirk Wolf

In de steeds populairder wordende Negen Straatjes in Amsterdam bevindt zich, naast een gloednieuwe vestiging van lingerieontwerpster Marlies Dekkers, een obscuur winkeltje gespecialiseerd in kunstenaarsboeken: Boekie Woekie. Geregeld zijn er presentaties met titels als Tour de Trance, The Worst Club, One Page Magazine en A one hour concert not noisy enough for the police to come. Boekie Woekie claimt de enige echte kunstenaarsboekwinkel ter wereld te zijn: van en voor kunstenaars. Bijna alle publicaties in de winkel liggen in consignatie. Dat betekent dat ze niet zijn ingekocht, maar in bruikleen zijn van de maker, vergelijkbaar met schilderijen in een galerie. Tot het moment van verkoop hangen die er om gezien te worden, en, indien verkocht, delen de kunstenaar en de galeriehouder de opbrengst. Als maker van kunstenaarsboeken weet ik maar al te goed hoe moeilijk het is om in eigen beheer uitgegeven publicaties aan de man te brengen. De markt is klein en de marges zijn minimaal. Hoeveel liefde voor het kunstenaarsboek moeten de initiatiefnemers van Boekie Woekie wel niet hebben, om zich hier volledig voor in te zetten?

Boekie Woekie is in 1986 opgericht door zes kunstenaars. De samenstelling van de groep is intussen al een aantal maal veranderd, maar er zijn er drie overgebleven die er van begin af aan bij waren. Sinds 2002 runnen zij Boekie Woekie: Henriëtte van Egten, Rúna Thorkelsdóttir en Jan Voss. Boekie Woekie: “We waren kunstenaars met kartonnen dozen vol publicaties onder ons bed. In een heroïsche bui besloten we daar iets mee te doen, voor publiek te zorgen. Toen bleek al snel dat er veel meer kunstenaars met kartonnen dozen onder hun bed waren. Onze eerste winkel was meer een etalage. Als er één bezoeker binnen stond was de winkel vol. Niemand besefte toen dat er toekomst in zat. We zagen het als een spel, als een performance. Maar we speelden het spel vanaf het begin volgens de regels: we gingen naar de Frankfurter Buchmesse, betaalden btw en de huur en we publiceerden onze eigen boeken en die van anderen.”

In 1991 heeft Boekie Woekie zijn langdurige performance voortgezet in de Berenstraat, waar het tot op heden gevestigd is. Daar houdt het nog altijd de vastberaden wens hoog om “iets wat in het verborgene ligt te tonen.” Boekie Woekie: “We zijn één van de weinige instellingen die kunstenaarsboeken serieus nemen. Kunstenaarsboeken hebben een uitzonderlijke positie binnen de kunstmarkt. Het is een obscure niche. Vergeleken met schilderijen valt er simpelweg te weinig mee te verdienen. In die zin is het ook onschuldig. Toch is er ook een zekere paradox. Enerzijds proberen we met Boekie Woekie op een bescheiden manier een verandering in die structuur aan te brengen. Anderzijds willen we de onschuld bewaren, zodat de grote marktwerking zo min mogelijk in de wereld van de kunstenaarsboeken komt. Wij zijn geen handelaren en doen niet mee aan die heilige-koeien-toestand van een origineel. Ook trekken wij geen grens tussen namen die zichzelf dik gedrukt zien staan en kunstenaars die blij zijn om in de foyer van een postkantoor in Buitenveldert te exposeren. Zulke zaken zeggen namelijk helemaal niets over iemands creativiteit. In onze winkel ligt alles naast elkaar en hebben we bijvoorbeeld ook boeken van Dieter Roth die met gemak vijfduizend dollar opbrengen.”

“Naast Printed Matter in New York zijn we de enige winkel die zich volledig inzet voor het kunstenaarsboek. Alleen zijn wij veel kleiner en hebben in tegenstelling tot Printed Matter geen subsidie en betaalde banen. Maar daar zijn we trots op. Het gaat ons er juist om te bewijzen wat je met kunstenaarsboeken kunt doen zonder externe financiering. Wij zijn kunstenaars: we maken iets uit niets. We scheppen het onwaarschijnlijke met alle consequenties van dien. De huur betalen we bijvoorbeeld van de opbrengsten uit de verkoop van onze ansichtkaarten, die we zelf maken op onze offsetpers en voornamelijk aan toeristen verkopen. Wijzelf hebben geen grote auto’s of een chique keuken, maar daar hebben we nooit onder geleden. Veel belangrijker is dat we de vrijheid hebben om te zeggen wat we willen. Dat geldt ook voor onze boeken. Het gaat om de rechtstreekse uiting, los van bemoeienissen en restricties van een grote uitgeverij. Deze vrijheid beschermen wij en houden wij in leven. Bij ons is er, zeg het maar niet te hard, geen ballotage. We hebben alleen gewetensbezwaren bij ontzettend ambachtelijk gemaakte boeken: orgieën van bindwerk zonder inhoud.”

Boekie Woekie’s inspanningen blijven niet onbeloond. De winkel wordt al vele jaren bezocht door mensen van over de hele wereld en afgelopen jaar stond hij zelfs in de New York Times. Boekie Woekie: “Er zijn klanten die voor ons naar Amsterdam komen en de winkel verlaten met een enorme stapel boeken. Dat zijn de echte liefhebbers, de verzamelaars die het meeste geld in het laatje brengen. Eigenlijk zou er in iedere wereldstad een Boekie Woekie moeten zijn. Tenminste, als je het beste met de mensheid voor hebt. En er is ook behoefte aan. Aan ons is al verscheidene malen gevraagd een dependance te openen. Daardoor hebben we tijdelijke vestigingen gehad bij musea in Wenen, Londen, Zürich, Marseille, Basel en Reykjavik. Een Boekie Woekie-keten, dat zou mooi zijn. Maar dan hoeven ze echt niet allemaal Boekie Woekie te heten.”

Op de website van Boekie Woekie houdt Jan Voss een dagboek bij. Tot slot een fragment hieruit, omdat het voor mij laat zien dat, hoe moeilijk het ook is om kunstenaarsboeken te verkopen, uiteindelijk niets ondenkbaar is: “I have the whole day been looking forward to tell what happened to me last night in my dreams. I came, like in real life, on my bike to open Boekie Woekie to find a crowd waiting in front of the shop. (Quite unlike real life.) There was a dark mass of people filling Berenstraat to the corner of Prinsengracht. I knew the queue was stretching far beyond the corner. I knew it was the reversed daily queue of people wanting to visit Amsterdam’s great tourist attraction, the Anne Frank House. I opened the shop and the masses promptly invaded it. Up to here one could think this was wishful dreaming. But to cope with the crowd became a nightmare. It was night outside when I closed the door behind the last shadowy figure. I realized that all shelves and tabletops were now empty, there wasn’t one book left. And then, of course, the door is opened again and in comes a little pale girl and wants an empty book.”

Boekie Woekie is gevestigd op Berenstraat 16, Amsterdam en dagelijks geopend van 12:00 tot 18:00 uur

De Recessie

Bart Groenendaal

Het schilderij hangt net scheef aan de muur van de galerie, waarin verder een paar voorwerpen staan die ik maar liever niet beschrijven zal. Vormeloos is teveel gezegd in ieder geval. Het schilderij is overigens ook niet om over naar huis te e-mailen. Wat de kleuren betreft valt het nog wel mee: een beetje paarsig, ergens een veegje zwart, nog iets bruinigs ofzo en in een hoek is wat groen geschilderd. Eigenlijk kan ik met dat groen nog het beste uit de voeten, als ik er goed naar kijk. Dat heeft net wel iets autonooms. Of nee, eigenlijk toch niet.

De deur van de galerie heb ik achter me open laten staan en een gemene tocht trekt de ruimte binnen, tot zichtbaar ongenoegen van de assistente. Volgens mij komt ze uit Duitsland, aan haar brilletje te zien. Of uit Israël, dat kan natuurlijk ook. Ik zie er niet erg vriendelijk uit op deze dinsdagmorgen, dunkt me zo.

De vormeloze voorwerpen staan op sokkels. Dat had niet gehoeven. Ze hadden net zo goed op de grond kunnen staan. Of liggen, want veel helpen doet het allemaal toch niet. De dingen hebben geen kleur en zijn eigenlijk gewoonweg niet om aan te zien, zo dom. De kunstenares bedoelt er ook niets mee, en dat weet ik, want ik ken haar. Eigenlijk komt er nooit iets uit. Het is meer een voortzetting van wat ze op de academie al deed, met tegenzin: een soort zinloos, lukraak kliederen met materiaal, of iets in die richting. Waarschijnlijk weten jullie wel over wie ik het heb.

Verderop in de ruimte staat een monitor waarop een video speelt. Nou, ik ben benieuwd. Ik heb er echt zin in. Een video, dat wordt vast lachen. Hoewel, zoveel valt er meestal niet eens te lachen bij videokunst. Ik krijg stellig de indruk dat de meeste videokunstenaars eigenlijk maar wat aan rommelen. Maar goed, ik weet er misschien gewoon niet genoeg vanaf. Hoewel, dat lijkt me stug. De video is al begonnen. Ik kijk er een tijdje naar. Wat een onzin. Er is werkelijk geen bal aan.

De assistente komt erbij. Ze spreekt me in het Engels aan en vertelt dat de kunstenaar een Amerikaan is. Dat vind ik op zich niet eens zo’n probleem – er zijn wel meer Amerikaanse kunstenaars – maar wat me dwars zit aan de houding van de assistente is dat ze het me op zo’n betweterige toon vertelt. Dat had helemaal niet gehoeven. Ik was er anders, als ik het persbericht had gelezen, tenslotte zelf wel achter gekomen dat die videokunstenaar een Amerikaan was, en in wezen doet het er ook helemaal niet zo veel toe allemaal.

De monitor waarop de video wordt vertoond werkt, maar het geluid had wel een tikkeltje anders kunnen worden afgesteld. Dit doet pijn aan mijn oren, zo schel. Los van de vraag of er eigenlijk wel structuur in zit, valt me op dat de video op geen enkele manier aan kennisproductie doet. Ik leer hier helemaal niets en ik vraag me af of de Amerikaanse kunstenaar zelf wel wat heeft geleerd van zijn project. Het is een vrij bekende kunstenaar, overigens, die ik verder niet met naam en toenaam zal noemen. Waarschijnlijk is wel duidelijk over wie ik het heb.

Verder is er aan een paar andere werken, zo te zien installaties of iets in die trant, ook weinig te beleven. Of nee, nu valt mijn oog ineens op een klein, fragiel en heel perfectionistisch uitgevoerd dingetje dat aan het plafond hangt. Hé, denk ik even, dat is misschien nog wel een geinig gevalletje. Maar al snel vergaat de lol me, omdat ik om het goed te zien omhoog moet kijken. En daar heb ik nu even geen trek in. Ik vind dat alle kunst op ooghoogte moet worden getoond, tenzij het echt niet anders kan. Het hoeft ook helemaal niet per se te hangen; laat het lekker op de grond liggen, zo’n gevalletje, hoe klein en fragiel het ook is, en vertrouw erop dat mensen het niet moedwillig kapot trappen.

Op naar de installaties, of wat het dan ook mogen zijn: lekker donkere ruimtes achterin met zware gordijnen ervoor, misschien ook om een en ander net ietsje belangrijker te laten lijken dan het werk zelf eigenlijk rechtvaardigt. Het heeft alles bij elkaar genomen een wat hooghartige uitstraling. Ik vind een klein stukje film wel aardig, en daar zal ik verder niet op ingaan, maar het meeste eraan is overdreven en pretentieus. Het begint al meteen als de boel in werking treedt op het moment dat ik de ruimte binnen kom: dit heb ik eerder gezien. Ik laat het even gebeuren, maar heb er eigenlijk het geduld niet echt voor, moet ik bekennen. Het maakt me kotsmisselijk en nogmaals: het is allemaal al eerder gedaan, en veel en veel beter. Goede, lekkere, mooie kunst waar je om kunt lachen is erg zeldzaam aan het worden. Er wordt op het moment veel te veel nagedacht en te weinig echt gewerkt.

De assistente heeft de deur inmiddels dichtgedaan en kijkt me met misnoegen aan. Nou, dat moet dan maar, denk ik, en buig me over het laatste werkje. Ik zie meteen: dat is niet af. Wat een laf stukje rommel, zeg. Bah. Ik vind het inhoudelijk noch wat vorm betreft enig hout snijden. Conceptueel werk is prima, maar zorg dan wel dat je weet waar je het over hebt. Dit is van een Belgische kunstenaar en dat zijn over het algemeen niet de besten. Sowieso is Belgische kunst, of überhaupt de Belgische cultuur, wat deprimerend. Denk maar aan De Witte Raaf.

Ik kijk nog even rond of er misschien iets anders te beleven valt. Even valt mijn oog op de assistente, maar daar begin ik niet eens aan.

Rotterdamse Museumnacht

Emily Williams
Willem Besselink, >RE:ID, 2009 (foto's: Sjoerd Knibbeler)

Amidst the mass audience descending on the Rotterdam museum night, >RE:ID by Willem Besselink emerges from the movements of the public. Under the umbrella theme of RE: where the public is urged to participate in mass digital interaction, through text messaging their scores of art work, signing up to online profiles, scanning and pushing buttons and lots of flashing lights, it is a relief to come across Besselink’s analogue translation of digital interaction.

A scaled down construction site on a corner of the Witte de Withstraat is equipped with construction workers in green and yellow jackets who take centre stage under the heavy weight lighting, manning BO-rent machinery and drinking coffee while the cement mixer churns, drowning out the song playing on the portable radio. To the rear of the site stands a pile of freshly delivered paving slabs beside a portacabin.

Spread around the flapping advertising board for ‘Panda dim sum restaurant’, to which the entrance is momentarily obstructed, are scattered paving stones, slightly raised on wooden slats above the original paving. They are carefully placed to represent the map of museum night venues. In relative scale the venue furthest away, which happens to be the Ceramics Museum across the river in Delfshaven, translates into ten paving stones down and two across, placing it in the middle of the pathway, accompanied by a bright orange traffic cone.

Besselink calls himself a rule based artist, trying to avoid the influence directed by his impulses or emotion. He follows a set of guidelines and rhythms that are often arbitrary movements of phenomena, such as temperature, direction or even Besselinks own heart beat. Within a predetermined frame, data is sourced and transferred into graphic representations rendered into simple shapes and bold colors. This data is not removed from its context but takes on form in the place it is sourced.

Pie charts, scatter grams and line graphs take on a three dimensional presence. As mysterious figures they evoke exactly what the artist avoids in their making process, a feeling of absence and secrecy. There is a desire to decipher their tales within them. The beauty and humor in irregularity and exceptions to the rule are read in a glance. More people have walked passed this window from the left than they have from the right (Witte de Withstraat 80, 2006) more men have entered this door than woman have the other door (Flurwege WdKA, 2005). It is revealing the subtle irregularities amongst mundane data that makes Besselinks work fascinating.

>RE:ID is an application of this working method to the hectic situation of Rotterdam museum night. The construction workers are waiting on further instruction determined by the museum night audience. Some twenty something other colleagues in identical jackets are manning the doors of Rotterdam’s art venues to scan visitors wearing badges. These statistics are concurrently relayed to a website and to the construction site via a computer in the portacabin.

Identified by tiny flickering lights on hats, scarves and coats, the museum night crowds flood into the street and the construction workers begin to lay pavement slabs on top of each other in accordance to visiting numbers. The dynamic events of the evening start to raise in a bar graph of bricks and mortar… A crash sounds! And to the right the Ceramics Museum has been kicked down the path by a group of young men, a boy hurries back and places the paving stone exactly as he found it and joins his group to continue with his Saturday night out.

A nice contradiction occurs, while individuals spread through Rotterdam and converge into one flow, it simultaneously is rendered to a halt in a hard copy of bricks and paving stone, encasing and creating one single presence. The same stones that you walk on become the material to convey your steps and the towers that are created out of them are the visited, scaled down buildings. Perhaps in places, the graph will become as high as the lamppost inside it taking on new proportions with the street furniture.

After the reference points fall away, when the crowds disperse and are long gone, like removing the frame from around a dried plaster cast, the mysterious form, as if deposited on the street, could take on a mute presence in the quiet aftermath, underlining the absence of its makers. Perhaps the group of young men, on return from their Saturday night out, will stop in the early morning hours and hang around sitting on the additional shape to the Witte de Withstraat, to perhaps smoke a cigarette, unaware of what it beholds, before moving on themselves.

Willem Besselink, >RE:ID, 2009, photo-sequence registration by the artist

>RE:ID
van Willem Besselink

vond plaats tijdens de Rotterdamse Museumnacht op 7 maart 2009

Willem Besselink, >RE:ID, 2009 (foto's: Sjoerd Knibbeler)
Willem Besselink, >RE:ID, 2009 (foto: Sjoerd Knibbeler)
Pipilotti Rist, CINQUANTE FIFTY (2000), Courtesy the artist and Hauser & Wirth Zürich London

Het is net als wanneer je schoenen draagt die een maatje te klein zijn. Hoe mooi ze ook van de buitenkant lijken, ze zitten gewoon niet lekker. Voor de video installatie Cinquante Fifty van Pipilotti Rist in de Erasmusbrug garage geldt hetzelfde.

Het werk dat de Zwitserse Rist in 2000 maakte voor de groepstentoonstelling Over the Edges van het S.M.A.K. in Gent, was destijds in een ondergrondse parkeergarage van het centrum te zien. Na een tussenstop in het Centraal Museum, is Cinquante Fifty weer in zijn oorspronkelijke omgeving te zien.

De belofte van een psychedelische trip die je bij haar werk verwacht, wordt echter niet ingelost. Het onveilige gevoel dat je volgens organisator Internationale Beelden Collectie Rotterdam op deze locatie bekruipt, geldt misschien wel voor de lichtelijk beklemmende parkeergarage in Gent, maar niet voor de ruime, goed verlichte en keurig onderhouden Erasmusbrug garage in Rotterdam.

En daar wringt nu precies de schoen. De video installatie, die bestaat uit twee video’s die elk in een hoek van de garage geprojecteerd zijn, bevindt zich op de begane grond van de hel verlichte parkeergarage waar de bewaking bij de in- en uitrit van de garage goed toezicht heeft op de situatie. Weg onveilig gevoel.

En voelen, daar gaat het nu juist om bij het werk van Rist. Je laten meevoeren met de in elkaar overvloeiende beelden die je meetrekken de hoogte en de diepte in, die je als het ware doen zweven als een molecuul door de lucht en je doen meedeinen met de sferische klanken die ze samen met haar partner Anders Guggisberg ontwikkelt. In een verduisterde ruimte kun je de gelaagdheid in de beelden en de suggestie van een veranderde ruimte wel ervaren, maar niet met TL-verlichting in de rug.

Het werk tijdens de museumnacht bezoeken helpt ook niet mee. Door de museale context van het evenement is het element van de verrassing weg. Juist een onverwachte ontmoeting met een video-installatie als dat van Rist, kan een passant doen stilstaan op een plek waar deze anders aan voorbijgelopen was. In een strikt functionele ruimte zoals de parkeergarage verwacht je immers geen poedelnaakte man die eindeloos in regen over een vluchtstrook loopt en nooit meer op zijn plek van bestemming komt. Het zijn beelden die de automobilist op zijn minst ‘food for thought’ geven.

Om die reden is het goed dat Cinquante Fifty nog een maand lang onder de brug te zien is. Eenmaal buiten de opgewondenheid van de museumnacht kan de alledaagsheid weer toeslaan zodat de bezoeker verrast kan worden door de zoete klanken van Rist en ondanks de TL-verlichting toch nog een beetje betoverd kan raken.

Amateuropname CINQUANTE FIFTY

CINQUANTE FIFTY
Pipilotti Rist

t/m 10 mei 2009
in de parkeergarage onder de Erasmusbrug in Rotterdam

ELIXIR van Pipilotti Rist in Museum Boijmans van Beuningen

Internationale Beeldencollectie Rotterdam

Tilman Hoepfl, URBAN STRUCTURE I & II, 2008

Op 27 februari gaat PIT (Project Initiative Tilburg) met haar eerste tentoonstelling van start. PIT is een nieuw, zwervend kunstinitiatief dat uitsluitend werk toont van abstract werkende kunstenaars. Tilman Hoepfl is de eerste kunstenaar, hij maakt voor deze gelegenheid een nieuwe installatie.

Als zwervend kunstinitiatief, zonder eigen ruimte, zal PIT steeds op andere plekken in de stad opduiken. Het receptuur is helder en duidelijk: buitenlandse kunstenaars werkend in een abstracte traditie worden voorgesteld in de Tilburgse initiatieven. "Die variatie houdt de verrassing erin en zorgt voor verbreding van het publiek," aldus initiatiefneemster Linda Arts. De eerste ruimte die PIT als gastcurator verwelkomt is de Verschijning in de Lancierstraat. Later dit jaar zullen ook Vertoningsruimte Argument en Kunstpodium T, hun ruimte aan PIT ter beschikking stellen.

NYC39/7 AND OTHER DYSFUNCTIONAL PROPERTIES
Tilman Hoepfl
27 februari t/m 8 maart 2009

De Verschijning
Lanciersstraat 42, Tilburg

www.projectinitiativetilburg.com

Tilman Hoepfl, LITTLE HOUSE OF COLORS, 2008

Een schilder schilder

Jaap Röell
Jim Harris, MIES VON DER ROHE BUILDING, 2008

Jim Harris (1968) is een ‘plein air’ schilder die in een lange schildertraditie staat. Zo’n droge constatering lijkt misschien geen sterke aanbeveling om het recente werk van Harris in galerie Roger Katwijk in Amsterdam te bekijken. Maar daar is wel alle aanleiding toe.

Met de beroemde ‘plein air’ schilders uit de Barbizon-periode midden 19e eeuw – zoals François Daubigny, Théodore Rousseau, Camille Corot en François Millet – heeft Harris gemeen dat hij verrukt is van het toevallige licht dat gevangen en weerkaatst wordt in een uitsnede van de observatie. Harris is echter geen onkritische volger van wat al geweest is. Integendeel: zijn doeken tonen een dynamische, vervreemdende en soms dreigende werkelijkheid.

Bijvoorbeeld in zijn serie over massale, meestal glazen kantoorgebouwen. Zoals het schilderij van het Mies van der Rohe gebouw in New York (Mies van der Rohe building, 2008), de hoek 5th Ave and 67th St (2008) en het schilderij Ground Zero (2008). Vooral dit laatste schilderij, waar je een grijs/blauw kantoorgebouw met een bouwsteiger ziet waarin het avondlicht in de grote ramen weerkaatst wordt en een donkere schaduw over een hoek van het schilderij valt, getuigt van het soort ‘suspense’ dat raakt aan de schoonheid van het kwaad. Dit effect wordt nog eens versterkt door de totale afwezigheid van elk menselijk wezen, zoals in bijna al zijn schilderijen. Zelfs het licht in het kantoor is uit.

De bewuste keuze van de hoek waarin Harris zijn observatie schildert, de krachtige geometrie daarvan, dwingen om je eigen positie ten opzichte van het schilderij te bepalen. Waar sta ik? Een vraag die bij de meeste Barbizon-schilders helder is: meekijkend met de schilder over de ezel. Bij Harris is dat niet logischerwijs het geval. Zeker niet in zijn serie waarvoor je op je rug zou moeten liggen onder het spoorviaduct bij het Centraal Station in Amsterdam. Grote, krachtig aangezette schilderijen van verveloze stalen balken op een bijna mikadoachtige wijze gerangschikt, met soms een enkele straatlantaarn die wat verduisterd licht geeft of met een sprankje grijs daglicht dat door de leggers van de brug schemert. De schilder dwingt je om de duistere schoonheid van het gekende, maar zonder hem niet geziene, te beleven.

Harris brengt de olieverf met een losse toets dik op het doek waarbij hij ook delen ‘nat in nat’ schildert. Zijn serie van schilderijen waarbij je van boven af op het rimpelende en met kleurtonen opflikkerende wateroppervlak van een gracht kijkt, zonder horizon of andere oriëntatie, beleef je door deze techniek als erg nat water. Tijdens de afgelopen vorstperiode heeft hij op deze wijze twee grote schilderijen gemaakt van dun over elkaar schuivend vaalwit/grijs ijs, met accenten van licht. Het zijn verstilde en tijdloze buitenstillevens van een complexe microkosmos (Thin Ice I en Thin Ice II, 2009).

Harris is een ambachtsman. Niet alleen in de betekenis dat hij het vak van schilderen verstaat, maar nog meer zoals hij het maximale schilderkundige effect weet te bereiken uit zijn keuze voor het onderwerp en de hoek waarin het gezien wordt. En hoe hij met zijn materiaal onbegrensde ruimte, donker en licht en een verwrongen perspectief maakt. En daarmee staat hij in een lange traditie van gepassioneerde ‘schilder schilders’ die teruggaat tot ver voor de school van Barbizon.

JIM HARRIS

14 februari t/m 14 maart 2009

Galerie Roger Katwijk
Lange Leidsedwarsstraat 198-200
Amsterdam

Meer over Jim Harris

Jim Harris, GROUND ZERO, 2008
Hidenori Mitsue, DISCOVERY, 2008

Begrippen als de verbeelding, het herkenbare en onherkenbare bieden de Japanse kunstenaar Hidenori Mitsue (1969) een uitgangspunt om te experimenteren met perceptie. In zijn werk geeft hij een nieuwe betekenis aan alledaagse onderwerpen en gebeurtenissen. Mitsue combineert dit met abstractie en creëert zo een vernieuwde, irrationele relatie. Herkenbare symbolen en iconen verlaten hun gebruikelijke context en staan centraal in de nieuwe situatie.

De sculpturen van Sylvia Evers (1971) ontwapenen en ontroeren. Op paradoxale wijze zorgen juist deze emoties ervoor dat haar beelden kracht uitstralen. Haar beeldtaal is helder en figuratief, waarbij ze streeft naar een zekere ‘leesbaarheid’. Als in fabels verbeelden de dieren in haar werk menselijke karaktertrekken en onhebbelijkheden.

INNERMOST
Hidenori Mitsue en Sylvia Evers
16 januari t/m 1 maart 2009

Galerie 10
Schoutenstraat 10, Utrecht

Hidenori Mitsue, SMOKING, 2008
Sylvia Evers, ZONDER TITEL, 2005

Nieuwe schilders

Loukie Hoos
Helen Verhoeven, EVENT DETAIL 3, 2008

Acht schilders die in 2006 en 2007 op de Rijksakademie verbleven, tonen recent werk in de galerie van het Leids Academisch Ziekenhuis. Volgens het persbericht maakt de tentoonstelling duidelijk ‘wat de hedendaagse schilder fascineert, welke onderwerpen hij kiest en waarom hij de schilderkunst nodig heeft om zich uit te drukken’. Het lijkt te mooi om waar te zijn, maar wie weet valt er naar aanleiding van de werken van deze ‘nieuwe schilders’ toch iets te zeggen over de laatste ‘trends’ in de schilderkunst.

Midden in de galerie staat een grote kijkdoos van Pere Llobera (1970). Aan de buitenkant is de doos versierd met bloemen, tussen de bloemen heeft hij twee taferelen geschilderd: links een verzameling kale woonblokken, rechts een schilder achter zijn ezel in een rivier die door een idyllisch landschap stroomt. In de kijkdoos steekt een man, springend van rots tot rots, een rivier over. Door de prominente positie van dit werk in de tentoonstelling en Llobera’s expliciete verwijzing naar de kloof tussen romantische verlangens en al dan niet treurig stemmende feiten van alledag vormt dit werk wellicht de sleutel tot deze tentoonstelling.

In interviews vertelt Llobera dat een nieuw werk bij hem vaak begint met een dagelijkse gebeurtenis en associaties die hierbij worden opgewekt. Op deze basis construeert hij complexe beelden waarin historische citaten, beelden en manieren van schilderen, worden opgenomen. Door Llobera’s schildertalent blijft het geen collage maar wordt het een samenhangend, dramatisch en overtuigend schilderij dat noodt tot associëren en interpreteren. De beelden suggereren maatschappijkritiek maar blijven door hun meerduidigheid ongrijpbaar.

Met de terugkeer van romantische verlangens in de hedendaagse kunst wordt Casper David Friedrich steeds vaker geciteerd. Het werk Crossing the river Styx van Jasper Hagenaar (1977) is zo’n citaat. De man op het schijnbaar romantische schilderij lijkt verblind door goddelijk licht, hij tast met een stok de sublieme ruimte voor zich af die echter geen houvast biedt. Verdrinking dreigt. In de schilderijen van Hagenaar nemen de eenzame cowboy, boom, wolf of robot vaker een centrale plaats in. Dit werk is op te vatten als verweer tegen de vervlakking van het waarnemen en herinneren door de eindeloze herhaling van beelden in de media. Hagenaar wil de intense beleving van zijn jeugd terug en probeert dit romantische verlangen al schilderend te realiseren. Iconen uit zijn jongenskamer of details van televisiebeelden plaatst hij centraal in het beeld, veelal tegen een monochrome achtergrond, om ze al schilderend weer tot leven te brengen. De donkere ondertoon en zijn mooie maar stoffige kleurgebruik herinneren aan de vergeefsheid van dit streven.

Het schilderen van eigen ervaring refereert niet altijd aan romantiek. Het werk van Micha Patiniott (1972) is gebaseerd op zijn speelse manier van kijken naar dagelijkse gebeurtenissen. Triviale situaties lopen bij hem gemakkelijk uit de hand en leiden tot poëtische, bizarre of grappige beelden. Op één van de schilderijen hangt bijvoorbeeld een parelketting in de soep waardoor de parels terugkeren in de schelpen die de soep haar smaak geven. Zijn werk is schraal geschilderd in bescheiden, zachte kleuren en herinnert aan de verwondering over onze verbeeldingskracht die ook Alice in Wonderland kenmerkt.

Tala Madani (1981) en Helen Verhoeven (1974) maken ook gebruik van lichtvoetigheid in hun kritisch commentaar op menselijk gedrag. Volgens postmodernistsch gebruik zetten zij humor en parodie in om te grote ernst of pathetiek te voorkomen. De ongrijpbaarheid van Llobera’s beelden kan een vergelijkbare functie hebben. Hier geen Ophuis adepten, expliciete beelden van oorlog of ander leed ontbreken. De Iraanse Madani hekelt machogedrag en seksuele stereotypering. Ze schildert stoere mannen met baarden in zachte en warme kleuren, omringt hen met symbolen van impotentie of geeft hen een rol in vrouwelijke- en homorituelen. In het LUMC hangt een rij krijgshaftige mannen (in wit en roze geschilderd). Boven de mannen hangt een zwaard van Damocles dat werkt als slagroomspuit. Iedere man draagt een kers op het witte hoofd en zal deel worden van een reusachtige pudding, de achterste zijn al onder de room verdwenen. Vooral in serie zijn deze cabareteske (bijna) cartoons effectief, helaas hangt de rest van de serie al bij Saatchi in Londen.

Helen Verhoeven toont Event, detail, een ‘event’ in een volle museumzaal is drie maal ‘gefotografeerd’, hetgeen resulteert in drie grote, helder geschilderde, volle schilderijen. Drie schijnbaar toevallige, bizarre uitsneden, die elkaar deels overlappen. Het lijken verschillende gebeurtenissen waardoor het onze gebrekkige en selectieve waarneming illustreert. Op ieder schilderij wijst een vrouw in blauwe avondjurk – als in een eigentijdse Hitchcock – de weg naar steeds een ander centrum van het gebeuren. Op één van de schilderijen wordt de centrale figuur (weer een man met baard) oraal bevredigd, terwijl iemand zijn ogen met haar handen bedekt. Het publiek reageert niet. Gelijkvormige mensen, van verschillende grootte, staan met gesloten ogen in starre rijen, als Byzantijnse heiligen of tragische maar stomme koren. Waar rijen vrouwen hartvormige Bunny-pakjes dragen, zwijgt de meerderheid.

Wellicht gaan de kleurige, ietwat vormeloze schilderijen van Heddy-John Appeldoorn (1975) ook over selectieve waarneming. Op zijn werk loeren vosachtige wolven achter bomen of wordt een mens door ratten aangevallen. Zijn vrolijke kleuren toveren de dreiging weg zoals ons comfortabele leven de impact van de klimaat- en andere crises vermindert. Als Appeldoorn dit duidelijk wil maken, overtuigt het werk niet omdat de dreiging inderdaad niet voelbaar is. Wat blijft is een vrolijk, lekker geschilderd schilderij en een vrij triviaal concept.

Het is opvallend hoe, bij al deze schilders, de manier van schilderen belangrijk is voor de betekenis van het werk. Het schilderen is dienstbaar aan het geheel en geen onderwerp op zich. Alleen bij Aukje Koks (1977) krijgt het schilderij als ding nog expliciet de aandacht. Ze hing zes lapjes linnen naast elkaar, op ongelijke hoogte. Op drie ervan schilderde ze vulkanische, potentieel sublieme, beelden. Op de drie andere stukjes linnen staan een aantal mogelijke handelingen met de niet gebruikte lijsten afgebeeld: opstapelen, omzetten in ruimtelijk werk of het zo neerleggen van de latten dat het woord WINDOW ontstaat. Het is een aardige en inventieve variant op een overbekend thema. Ook het werk van Malin Persson (1978) valt op als uitzondering, zij schildert geometrische landschappen en is daarmee de enige die nog waargenomen realiteit ‘afbeeldt‘.

Opvallende nieuwe ontwikkelingen ontbreken in de tentoonstelling, tenzij de kwaliteit van het werk als zodanig kan gelden. Deze kunstenaars blijken geregeld in staat voorstelling, kleurgebruik, manier van schilderen en compositie te integreren tot een beeld waarin deze verschillende ingrediënten elkaar op een bijna klassieke manier ondersteunen en zo bijdragen aan de zeggingskracht van het werk. Dat levert in ieder geval een aantrekkelijke tentoonstelling op maar misschien betekent het meer: misschien ontstaat er na alle exercities, provocaties en grensoverschrijdingen van de afgelopen jaren ruimte voor integratie van de verworvenheden en ook voor deze klassieke kwaliteit. Dat zou een vreugdevolle ontwikkeling zijn. Als er op deze basis in de thematiek toenemende aandacht zou zijn voor persoonlijk geworstel met grote – al dan niet romantische – verlangens gaat de schilderkunst een spannende tijd tegemoet.

NIEUWE SCHILDERS
Heddy-John Appeldoorn, Jasper Hagenaar, Aukje Koks, Pere Llobera, Tala Madani, Micha Patiniott, Malin Persson, Helen Verhoeven
29 januari t/m 15 maart 2009

Galerie LUMC
Albinusdreef 2, Leiden

Jasper Hagenaar, CROSSING THE RIVER STYX, 2008
Pere Llobera, UNTITLED, 2008
Christoph Brech, OPUS 110A, 2001 (videostill)

Kijken naar OPUS 110A betekent bijna een half uur staren naar een rug, naar kreukels in een jasje. Christoph Brech filmde het jacquet van de dirigent van het kamerorkest van München dat een symfonie van Dimitri Shostakovich speelt. Dat de dirigent zijn armen heft is alleen te zien door het patroon van kreukels in de pinguïnjas, die met de muziek mee veelal kalme golfjes vormt, ritmisch wiegt. Bij de explosieve stukken muziek zijn de kreukels scherper en beweegt het jasje soms zelfs sneller dan de camera kon vastleggen.

De poging om muziek te visualiseren is een terugkerend thema in het werk van de Duitse Brech (1964). In 2008 toonde het Stadtmuseum in Brechs woonplaats München de installatie Portrait of an Orchestra, gemaakt in samenwerking met het Sinfonieorchester des Bayerischen Rundfunks. In de duistere ruimte hingen 100 speakers, elk corresponderend met een van de microfoons die voor opname waren gegeven aan de leden van het orkest. In de installatie was Mahlers Vijfde Symfonie te horen, terwijl je door de verspreide speakers het idee kreeg dat je door het orkest heen kon lopen. De speakers bevatten bovendien een LED-lampje dat oplichtte als dat instrument ging spelen: een zee van lichtjes die feller en zwakker werden met de dynamiek van de muziek. Daar krijg je vermoedelijk zelfs de Britney-generatie stil mee.

De tiende editie van Art Rotterdam vindt plaats van 5 tot en met 8 februari 2009.

Verdere info over Christoph Brech.

Johannes Schwartz, PASSION XIII, 2008

Johannes Schwartz maakt foto’s van verlaten plekken waarin achtergebleven objecten vertellen over de mensen die er eerder waren. De series die hij maakt ontstaan vaak naar aanleiding van een opdracht: in 2003 fotografeerde hij in opdracht van SKOR boerderijen in Groningen en in 2004 maakte hij voor de Rietveld Academie een serie over de verbouwing van het hoofdgebouw.

Op ART Rotterdam toont Galerie van Zoetendaal twee werken uit de nieuwe serie Passion. Voor deze serie was Schwarz gevraagd foto’s te maken in de woning van een onlangs overleden dame. Als centraal motief koos de kunstenaar de plastic boodschappentasjes die hij door het hele huis tegenkwam. De tasjes staan in hoeken, op het tapijt of op een meubelstuk, ze zijn aan de kant gezet, uit de weg geruimd en vergeten. Twee op lichtbakken geplaatste foto’s, Passion VIII en Passion XII, tonen tassen in close-up, aan het volume is te zien dat er iets in zit maar het is onmogelijk te raden wat het is. Misschien zijn het nieuwe aankopen die wachten te worden uitgepakt, of juist oude spulletjes die zijn opgeborgen, of misschien stonden de tasjes klaar om te worden weggegooid. Op sommige plekken is een dikke laag stof te zien, dus blijkbaar staan ze er al een lange tijd.

De tassen vinden geen aansluiting bij hun huiselijke omgeving vanwege hun opvallende, pastelachtige kleuren die schil afsteken tegen de donkere tinten van het ouderwetse interieur. De objecten die erin verstopt zitten kunnen zich niet nestelen tussen de andere eigendommen. Hierdoor zijn ze niet alleen onzichtbaar en anoniem, maar ook van elke functie ontdaan. Naast de vraag wat er in de tassen zit, is het minstens zo spannend je af te vragen waarom ze zo zijn achtergelaten.

Je zou Passion kunnen beschouwen als een portret van de dame, verteld aan de hand van de spullen in haar huis. De plastic tasjes zijn opmerkelijk en karakteristiek, maar zoals de objecten verhuld zijn, zo blijft ook het verhaal van deze dame een raadsel. De foto’s stellen vooral vragen en geven nauwelijks antwoord. In die zin zijn ze veel abstracter dan het in eerste instantie lijkt. Dit gevoel voor abstractie komt ook formeel in het werk terug, bijvoorbeeld in de grote kleurcontrasten, de detailopnames en de aandacht voor textuur. Schwarz’ brengt het persoonlijke verhaal van deze plek samen met een meer algemene en stilistische verwondering over hoe mensen vormgeven aan hun alledaagse omgeving.

Kijk voor meer informatie op de website van ART Rotterdam, of op de website van Galerie van Zoetendaal

Johannes Schwartz, PASSION XII, 2008