Bivak K2ao bij W139

Enkele weken bivakkeerden vijftien kunstenaars van het collectief K2ao uit München in de achterzaal van W139 om er dag en nacht de aanvankelijk anarchistische geschiedenis van W139 te onderzoeken. Ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van W139 ploegden ze door het archief en interviewden ze alle voormalige directeuren en enkele oud-bestuursleden. Hun bevindingen plaatsten ze in een context van historische utopieën en collectivistische idealen. Het resultaat: een ‘live documentaire’ over de geschiedenis van W139. K2ao is ontstaan uit een klas van Stephan Dillemuth, die zijn studenten aan de Akademie der Künste in München een paar jaar geleden aanzette tot een collectieve onderzoekspraktijk. Inmiddels kan de groep zich roemen op een aantal overrompelende gesamtkunstwerken waarin schilderkunst, opera, sculptuur, re-enactment, poëzie, activisme en toneel samenkomen.

AUFRUF ZUR PHASE NULL!
K2ao (Klasse 2 aufbau organisation)
30 oktober t/m 22 november 2009

W139
Warmoesstraat 139, Amsterdam

Katarina Zdjelar

Alexander Mayhew, Daan Paans

Katarina Zdjelar (1979) spreekt alleen Nederlands met kinderen, dieren en overheidsinstanties. “Omdat bijna iedereen in Nederland Engels kan spreken”, zegt ze, “is Nederlands voor mij inmiddels de taal van de bureaucratie geworden. Het enige moment waarop ik verplicht ben om Nederlands te praten, is bijvoorbeeld bij de Belastingdienst”. Haar huis en studio bevinden zich in Oud-Charlois in Rotterdam, een wijk waar gebruik wordt gemaakt van de zogeheten ‘mosquito’ om allochtone hangjongeren te verdrijven. Het is een wereld die mijlenver is verwijderd van het Servische paviljoen in de Giardini in Venetië, waar Zdjelar dit jaar tijdens de biënnale meerdere videowerken toont.

Zdjelar kwam in 2004 vanuit Belgrado naar Rotterdam om aan het Piet Zwart Instituut de Master of Fine Art te volgen. Omdat zij Nederlands wilde leren, schreef ze zich in voor een cursus. Al gauw nam ze haar camera er mee naar toe, geboeid als zij raakte door de fysieke verschijningsvormen van het aanleren van een vreemde taal. Acht maanden lang volgde zij de deelnemers en produceerde uiteindelijk het videowerk Would that be allright with you if I bring my cat along?, waarin de inspanningen om klanken te reproduceren en te oefenen zichtbaar worden gemaakt. Hier werd de kiem gelegd voor Zdjelars fascinatie voor stem en taal.

In haar videowerken staat het zoeken naar een verband tussen taal als code en taal als fysieke uiting (in de vorm van de uitspraak) centraal. In het op de biënnale getoonde werk The perfect sound komen beide aspecten aan de orde. Het registreert een sessie waarin een spraaktherapeut het accent van zijn leerling probeert bij te stellen. Zdjelar legt uit dat er een groot verschil is tussen spraaktherapeuten in het Verenigd Koninkrijk of in de Verenigde Staten. In de Verenigde Staten richt men zich meer op acteurs en op het maken van mooie volzinnen, terwijl in het Verenigd Koninkrijk de gewone man en het produceren van de juiste klank meer centraal staan. In het laatste geval is er sprake van het neutraliseren van het accent, met de achterliggende motivatie dat de leerling zich dan beter staande kan houden in andere milieus dan het milieu waarin hij is opgegroeid. Deze belofte van een beter leven is vergelijkbaar met de thematiek in de musical- en filmklassieker My Fair Lady, waarin bloemenverkoopster Eliza Doolittle leert praten als een dame uit de hogere kringen.

Wat Zdjelar interesseert, is de mogelijkheid om door middel van taal iemand anders te kunnen zijn, jezelf dus opnieuw uit te kunnen vinden. Zij benadrukt echter dat ze geen taalkundige is. De aandacht voor taal en stem in haar werken is een manier om toegang te verkrijgen tot sociale en politieke situaties. Hierbij is ze er niet op uit om commentaar te leveren op dagelijkse politieke of sociale gebeurtenissen, maar poogt ze juist andere modellen toe te voegen aan de reeds bestaande. Zdjelar: “In mijn werken toon ik mensen die proberen zich bepaalde bestaande systemen machtig te maken, maar uiteindelijk pakken zij het anders aan dan het systeem voorschrijft en ontwikkelen daarmee een nieuw model. Dit vermogen om nieuwe modellen te ontwikkelen is een belangrijk middel om mondiger te worden, een stem te krijgen en het lot in eigen handen te nemen.”

De uitnodiging om een voorstel te schrijven voor een bijdrage aan het Servische paviljoen op de biënnale van Venetië kwam als een volslagen verrassing. “Ik was vereerd, maar ook verbaasd dat zij mijn werk überhaupt volgden, aangezien ik al een tijd weg ben uit Servië.” Omdat haar achternaam niet puur Servisch is en zij geen onderdeel is van het culturele circuit in haar geboorteland vonden nationalistische kranten het onbegrijpelijk dat Zdjelar was uitgenodigd. Ze betichtten haar er zelfs van pro-Albanees te zijn, omdat één van haar werken in Albanië is gefilmd. Een ergere verwensing kun je in Servië niet naar je hoofd krijgen.

Toch vindt Zdjelar de biënnale niet de meest opwindende omgeving om kunst te tonen, omdat van kunstenaars wordt verlangd dat ze op één of andere wijze een statement maken. Ook het concept van nationale paviljoens vindt ze uit de tijd. Naast het tonen van haar videowerken stelde ze voor een symposium te organiseren, een boek uit te brengen en een platform voor discussie te creëren – iets wat zij gewoon is te doen. “Helaas is er bij de biënnale geen ruimte voor experimenten. Alles moet er vooral gelikt uitzien en een beetje veilig blijven.” De belangrijkste reden voor haar om mee te doen was dat ze werd verkozen door een adviesraad bestaande uit vijf onafhankelijke curatoren, theoretici en kunstenaars. “Voor het eerst werd in Servië op een democratische wijze een kunstenaar uitgekozen voor vertegenwoordiging op de biënnale. Ik zag het als mijn persoonlijke verantwoordelijkheid om dit proces te ondersteunen.”

Tijdens de openingsweek van de biënnale viel haar op dat er zeer constructieve feedback werd gegeven op haar werk en er zich interessante dialogen ontwikkelden. In Nederland heerst er volgens Zdjelar niet zozeer een klimaat van het bediscussiëren van kunst. Ze constateerde dat er aan de Nederlandse kunstopleidingen relatief weinig tijd wordt besteed aan theoretische vorming door middel van vakken als filosofie, (kunst)geschiedenis, sociologie en kunsttheorie. “Kennis van deze vakken helpt je om je als kunstenaar te kunnen positioneren”, stelt Zdjelar. Aangezien in Servië de kunstopleidingen zijn verbonden aan een universiteit is dat theoretische vakaanbod daar een vanzelfsprekendheid.

Na haar afstuderen merkte de kunstenaar wat de contacten die zij in Nederland had opgebouwd voor haar betekenden: “Binnen de relaties die ik hier ben aangegaan, word ik gestimuleerd en uitgedaagd. Doordat ik hier ben opgeleid en nu werk en woon, voel ik mij op dit moment het meest verbonden met mijn Nederlandse omgeving. Hoewel ik afhankelijk van de omstandigheden nu eens geïdentificeerd word als Servische kunstenaar, dan weer als Nederlandse. Voor mij is dat onderscheid echter van ondergeschikt belang.”

www.katarinazdjelar.wordpress.com www.katarinazdjelar.net

THE ORIGINS OF INNOCENCE in opbouw

What (supernatural) gift would you most like to possess?
I would like to have a younger body forever – that is, until I die.
Of all your works, past and present, which is your favorite, independent of anyone else’s opinion?
I would say it is a toss up between Cheek to Cheek as a smaller piece and Conservation of Intimacy as a larger installation.
Can you describe a scene from a film that particularly affected you?
Just this day I was thinking of a scene from Eric Rohmer’s Parsival (Perceval le Gallois (1978), red.). About how moving and meditative his literal translation from the 13th century piece of writing was. Everything was done on a sound stage with minimal sets and everything was word for word including the scene descriptions performed by the actors. To have the character say: ‘And slowly he turned his head unto her and he spoke….’. Then he said his lines as well and she said: ‘She cast her eyes downwards and then raised them to look at him…’ and the characters followed their own stage direction.
Which artist, living or dead, would you like to have visit your exhibition?
I admire, and have taken ideas from many people’s work, but I don’t know that I am wondering what they would say about what I do. That said, I have been thinking about Duchamp lately and I have certainly borrowed a lot from him. And he was quite clever in his comments…. But I think I would like to have Etienne Jules Marey come see my show where so many pieces are derived from his scientific research.
Please describe your ideal visitor.
Someone curious and playful and not in a big rush.
And your ideal exhibition space?
I like spaces with some character and a history in the architecture. Something I can play around in.
How would you explicate this exhibit to your parents?
My mother did see some of my work before she died. I think I told her that I make these large whimsical wood machines for people to play with and that as they do this, I hope to have people become actors in a theatre of their own imagining.
What do you not want the visitor to miss while visiting the exhibition?
The chance to participate with each other in making things happen.
What do you not want the visitor to see?
I hope the visitor will see everything. I try to make it all transparent
Of what do you consider yourself a connoisseur?
I don’t think of myself as a connoisseur. I can’t even spell it right. Or did I?
What would you be (doing), if you weren’t an artist?
I have no idea. I can’t really imagine myself being someone other than who I am.

THE ORIGINS OF INNOCENCE
Bernie Lubell
16 oktober t/m 22 november 2009

V2_ Instituut voor Instabiele Media
Witte de Withstraat 63, Rotterdam

THE ORIGINS OF INNOCENCE in opbouw
Chronofotografie van Etienne Jules Marey (1830-1904)
Eén van de vlinders van Marta de Menezes (2003)

Science Café Leiden organiseert op 16 oktober speeddate sessies van 5 minuten waarin je behalve bij spraakmakende wetenschappers kunt aanschuiven bij kunstenaars die – soms controversieel – werk maken op het snijvlak van kunst en wetenschap.

Zo kun je doelgericht in discussie met onder meer ontbindingskunstenaar Martin uit den Boogaard – ‘mensen eten vlees, maar willen er verder niets van weten’, kunststudent Jasper Griepink die recentelijk een microbiologische omgeving op reusachtige schaal nabouwde en Marta de Menezes die DNA technologie aanwendt om vlinders met nieuwe patronen te maken en menselijk celmateriaal fluorescerend te laten schijnen.

Verdere speciale gasten zijn hoogleraar pharmacologie Douwe Breimer en wiskundemeisje Ionica Smeets. Het speeddaten wordt georganiseerd in het kader van het het eerste Festival Key of Life voor art science.

SPEEDDATEN MET WETENSCHAPPERS EN KUNSTENAARS
Vrijdag 16 oktober 2009 om 22.00 uur

Science Cafe Leiden / Scheltemacomplex
Marktsteeg 1
Leiden

Meer info over het Festival Key of Life

Het onbekende in Almere

Machteld Leij
Hala Elkoussy, PERIPHERAL LANDSCAPE # 1, MOKATTAM, 2004

Onbekende gebieden, verre reizen en woeste avonturen. Zoiets verwacht je aan te treffen bij de groepsexpositie Unknown Territory 2009 in Museum De Paviljoens in Almere. Grappig genoeg vind je het grootste avontuur letterlijk in de achtertuin van het museum. Want de expositie gaat gepaard met het SITE2F7 FESTIVAL dat De Paviljoens van 21 tot en met 23 augustus voor de tweede keer organiseerde op het braakliggende terrein 2F7, rondom het museumgebouw. Er werd onder andere een zadenmarkt georganiseerd, en ontwerper Daan van Berg bouwde aan een hut van stro en klei. Er waren debatten met architecten en biologen, en overal liepen kinderen rond, geschminkt als roze konijn. Enerzijds wil het museum het enige onontwikkelde stukje Almere blootleggen en voorstellen voor gebruik van het gebied doen. Het braakliggende land blijft tot 2012 de locatie van het museum, daarna is de toekomst van beide onzeker. Anderzijds presenteert de expositie Unknown Territory 2009 de visies van verschillende kunstenaars op het onbekende.

Het festival buiten duurde maar drie dagen. Enkel het wonderlijke bouwseltje Trail House van architect Anne Holtrop is blijven staan, als deel van de expositie binnenshuis. De houten constructie, die eigenlijk weinig meer is dan een zwierige gang met daarin rechthoekige ramen zonder glas, markeert het kruispunt van informele paadjes, uitgesleten door voorbijgangers. Achter de raamopeningen ontvouwt het landschap zich als een theatervoorstelling. De omgeving is ineens een bron van pracht en mogelijkheden, in plaats van een verkommerd graslandje, ingesloten door lelijke woningbouw. Zo spectaculair is het resultaat dus als architectuur en omgeving samenvloeien.

Zo vrij, tijdelijk en experimenteel als het festival buiten is, zo theoretisch is de tentoonstelling binnen. Daar bestaat de ontdekkingstocht naar het onbekende vooral als idee, uitgewerkt in verhalen en fotografie. Dat levert in het geval van Sarah van Sonsbeeck een geweldige installatie op, terwijl de tijdschriftpresentatie van schrijver en fotograaf Nickel van Duivenbode juist weer te weinig visueel en daardoor te weinig sprekend is. Van Sonsbeeck publiceerde in 2006 een boek met tekst en foto’s over hoe haar luidruchtige buren haar huis gevoelsmatig innamen met hun lawaai. De initiële irritatie van Van Sonsbeeck stimuleerde haar om de ervaring tot kunstwerk om te vormen, in navolging van kunstenaar Bruce Nauman, die zijn acties in het atelier betitelde als kunst. In De Paviljoens heeft de publicatie een nieuwe presentatievorm gekregen. De pagina’s van de publicatie zijn aangebracht op schotten die de plattegrond van haar woning aangeven. De installatie Mijn echte huis is een ruimtelijk gebracht, soepel geschreven persoonlijk maar ook kunsthistorisch relaas. Vooral de tekst is sterk: de brief waarin ze haar buren verzoekt tachtig procent van haar huur (het equivalent van de ruimte die ze in haar woning vullen met hun herrie) te voldoen, is hilarisch en wraakzuchtig tegelijk.

Waar Van Sonsbeeck de bescheiden microkosmos van haar eigen huis als terra incognita behandelt, neemt Vincent Meessen het ronkende modernistische ideeëngoed van een architect als Le Corbusier op de korrel. In de video Dear Advisor voert de kunstenaar zijn publiek mee naar het utopische modernisme van de Indiase stad Chandigarh, ontworpen in 1974 met Le Corbusier als adviseur. De betonnen fantasie van de architect blijkt tegenwoordig echter een wassen neus. Gebouwen staan leeg, gras tiert welig in de scheuren van het beton, en er is een tegenbeweging in de vorm van hutjes en zeildoek ontstaan. Mensen laten zich niet dwingen in een utopie die hen niet ligt. Dat onderschrijft ook Hala Elkoussy met haar manshoge fotoposters van Egyptische bouwprojecten en steden in ontwikkeling (Peripheral Landscape, 2004). De gebouwen zijn leeg, hard en verlaten, ondanks het mooie avondrood erboven. In haar video (Peripheral Stories, 2005) weerklinkt juist een levendigheid, die contrasteert met de kale architectuur. Flarden van verhalen van bewoners komen voorbij, als een levendige tegenhanger van de statische wijken op haar foto’s. Zowel Meessen als Elkoussy tonen een modernistische droom van vooruitgang en groei die failliet is, of die een eigenzinnige invulling heeft gekregen van bewoners die zich niet zomaar laten sturen door planologen en architecten.

Voor het onbekende hoef je niet naar verre oorden: soms smeekt het net om de hoek om ontginning. Toch lijkt de ontdekkingstocht van het museum zelf naar de mogelijkheden van het terrein 2F7 een ongelijke strijd. Wat zal er gebeuren als De Paviljoens haar achtertuin tot leven heeft gewekt, maar in 2012 moet vertrekken? Zouden de projectontwikkelaars en de gemeente luisteren naar de voorstellen en ideeën die de kunstwereld ze aanreikt? Het is te hopen van wel, om te voorkomen dat alleen economische belangen worden gediend. Aan de andere kant laat Unknown Territory 2009 haarfijn zien, met de bijdragen van Meessen en Elkoussy, dat mooie ideeën en utopische plannen ook niet altijd het beoogde effect sorteren.

UNKNOWN TERRITORY 2009
Annesas Appel, Gwenneth Boelens, Nickel van Duijvenboden, Hala Elkoussy, Cevdet Erek, Anne Holtrop, Yasmijn Karhof, Marijn van Kreij, Vincent Meessen en Sarah van Sonsbeeck
21 augustus t/m 8 november 2009

Museum De Paviljoens
Odeonstraat 3, Almere

Hala Elkoussy, PERIPHERAL LANDSCAPE # 4, AL TAGAMO’ AL KHAMIS, 2004
Anne Holtrop, TRAIL HOUSE, 2009

Primitief, barbaars, toch vaardig gemaakt en een tikje creepy, zulke woorden komen in je op als je de tekeningen en sculpturen van de Amerikaanse Huma Bhabha (1962) ziet. Ze werkt met bouwmaterialen, gevonden voorwerpen en afval, die met klei en andere materie tot mens- of aapachtige figuren worden gevormd. ‘Characters’ noemt Bhabha hen, figuren met een eigen persoonlijkheid. De expositie staat garant voor de nodige rauwheid in een tijd die soms meer gericht lijkt op verfijnde kunst.

HUMA BHABHA: NIEUW WERK
5 september t/m 7 oktober 2009

Grimm
Keizersgracht 82, Amsterdam

Van Ger van Elk (1941) krijgen we nooit genoeg. Daarom zitten we dit najaar niet alleen met zijn nieuwe monografie op schoot, maar gaan we ook langs De Expeditie om een selectie van vroeg werk te zien. Al was het alleen maar omdat ze hem op de website ‘grondlegger van de conceptuele kunst’ noemen. In de jaren zeventig bevatte Van Elks oeuvre al sculpturen, assemblages, fotografie, films en schilderijen. Terugkerende thema’s zijn bijvoorbeeld balans en perspectief, en vaak spelen verwijzingen naar de kunstgeschiedenis een rol. Dat klinkt serieuzer dan het is; Van Elk doorspekte zijn werk met ironie.

GER VAN ELK. EEN KEUZE VANAF 1966
5 september t/m 17 oktober 2009

Galerie De Expeditie
Leliegracht 47, Amsterdam

Oorlogje spinnen

Alexander Mayhew
Hwayeon Nam, OPERATIONAL PLAY, 2009

Onlangs overleed de bedenker van de populaire televisieserie M.A.S.H. Deze serie volgde het wel en wee van de bemanning van een mobiel veldhospitaal tijdens de Koreaanse oorlog in de jaren vijftig. De mix van tragedie en humor schreef televisiegeschiedenis. Omdat hoofdrolspeler Alan Alda de oorlog niet leuker wilde doen lijken dan in werkelijkheid het geval was, liet hij in zijn contract opnemen dat iedere aflevering minstens één scène moest bevatten die zich afspeelde in de operatiekamer.

In de hedendaagse realiteit van oorlogsvoering doet men er daarentegen alles aan om het gewelddadige karakter van militaire operaties te verbloemen. Militaire operaties dragen sinds de Tweede Wereldoorlog vaak goed in het gehoor liggende eufemistische namen als Operation Blue Tiger of Operation El Dorado Canyon. De namen lijken zo uit een spannend jongensboek te komen en je vergeet bijna dat bijvoorbeeld de benaming Operation El Dorado Canyon staat voor de aanval van de Verenigde Staten op Libië in 1986. Militaire acties worden zo beheersbaar mogelijk gemaakt voor politici, pers en bevolking.

Dit gegeven vormt het uitgangspunt van het werk Operational Play van de Zuid-Koreaanse kunstenaar Hwayeon Nam (1978). In Casco toont zij de videoregistraties van een performance die in mei van dit jaar zowel in een stadspark in Seoul als in de binnenstad van Utrecht is opgevoerd. Het script van deze performance bestaat uit basale aanwijzingen voor een aantal personages die allen de naam dragen van een historische militaire operatie. De participanten aan de performance mochten zelf hun personages kiezen en droegen een specifieke vermomming in de vorm van een eenvoudig masker. Hen werd verzocht een typerende beweging voor het personage te ontwikkelen, zodat er uiteindelijk sprake was van een collectief geïmproviseerde choreografie. Daarnaast dienden de spelers de interactie met elkaar en met toevallige voorbijgangers aan te gaan.

De twee interpretaties van hetzelfde script worden in dezelfde ruimte gelijktijdig op twee schermen vertoond. Hierdoor wordt de toeschouwer automatisch ertoe bewogen de beelden met elkaar te vergelijken. Direct valt het verschil op tussen de performance in Seoul en in Utrecht. In Utrecht zie je dat voorbijgangers op de performance reageren: een gezette toeschouwster draait ook gezellig een rondje met de performers mee en fietsers die de camera zien steken hun hand in de lucht. In Seoul daarentegen schenken voorbijgangers geen enkele aandacht aan de performers of de camera, zij lijken zich er niet eens bewust van te zijn en houden hun gezicht strak in de plooi. Slechts een klein meisje op haar fietsje kijkt eenmaal om.

De registratie van de Utrechtse performance is gefilmd met een handheld camera waardoor de beelden schokkerig en amateuristisch ogen. De Koreaanse performance daarentegen is met behulp van een high definition camera met een vast standpunt vastgelegd. De beelden ogen gebalanceerd en professioneel. In beide registraties hoor je op de achtergrond regieaanwijzingen aan de performers. Deze aanwijzingen zijn in de Utrechtse film ook als ondertiteling aanwezig. De Koreaanse performers lijken directer op de aanwijzingen te reageren en hun bewegingen zijn veel gestileerder dan die van hun Utrechtse collega’s. Gevolg van de vaste cameravoering en de afgeregisseerde bewegingen is dat de Koreaanse versie meer de kant op gaat van een speelfilm, terwijl de Utrechtse versie meer de charme heeft van een homevideo.

In de Koreaanse versie valt vooral de rol van de bokser (Operation Boxer) op door de krachtige gestileerde bewegingen en de gedreven mimiek. Het is ook juist deze bokser die door zijn militaristische bewegingen in herinnering weet te roepen dat alle personages in de video verwijzen naar een militaire operatie. Net als de eufemistische benamingen voor deze operaties doen de schijnbaar onschuldig ogende beelden je dit bijna vergeten. De toeschouwer wordt door het kinderlijke rondspinnen van de personages een uitgedokterd rad voor de ogen gedraaid. Pas wanneer je je hier bewust van wordt ga je zien dat de collectief geïmproviseerde choreografie helemaal niet zo onschuldig is als op het eerste gezicht lijkt. Personages worden vernederd, uitgelachen of vermoord.

Militaire operaties worden in benaming en beeld gepresenteerd als kinderspel. Het wordt behapbaar gemaakt, waardoor wij er als mensen gemakkelijker mee kunnen omgaan. Hwayeon Nam maakt ons er van bewust dat zowel de benaming van operaties als haar performance en de registratie ervan de lading niet kunnen dekken van wat een militaire operatie precies behelst. De realiteit van een militaire operatie heeft vele verschillende gezichten en interpretatiemogelijkheden.

GRAMMAR OF THE WORLD – 
BASED ON OPERATIONAL PLAY
Hwayeon Nam
6 t/m 20 september 2009

Casco
Nieuwekade 213-215, Utrecht

Hwayeon Nam, OPERATIONAL PLAY, 2009
Hwayeon Nam, OPERATIONAL PLAY, 2009
Sigurdur Gudmundsson, ADMIRERS OF MY WORK, 2007

De van oorsprong IJslandse kunstenaar Sigurdur Gudmundsson (1942), die al sinds 1970 in Nederland woont, weet op ingenieuze wijze van oud werk weer nieuw werk te maken. Tijdens de opening van zijn solotentoonstelling in de Amsterdamse Galerie van Gelder liet de kunstenaar zichzelf hypnotiseren, om als kunstconnaisseur ‘Charles’ onbevooroordeeld zijn mening te kunnen geven over zijn eigen werk. Door die performance transformeerde hij de gehele tentoonstelling inclusief de bezoekers tot een compleet nieuw werk, dat vervolgens weer deel uitmaakt van Charles and the Mutes, zoals de tentoonstelling kwam te heten.

De performance van Gudmundsson getuigt van lef, maar heel bang om in gehypnotiseerde staat zijn eigen oeuvre onderuit te halen zal de kunstenaar niet zijn geweest. Met een succesvolle carrière van meer dan veertig jaar heeft hij zijn sporen in de kunst lang en breed verdiend. Zijn werk is ondergebracht in verschillende museale collecties en zijn sculpturen bevolken de Nederlandse openbare ruimte. Het meest omvangrijke voorbeeld is het tiendelige granieten werk Het rode geheim uit 1998 in Groningen, waarvan de kern bestaat uit een vijf meter hoog, roodgranieten geabstraheerd hoofd. Deze vorm is in bescheidener formaat ook in de tentoonstelling bij Van Gelder te zien.

Hier vormt een houten stellingkast met vitrage eroverheen gedrapeerd het middelpunt. Erin staat een verzameling sculpturen en objecten, werken van Gudmundsson uit verschillende perioden. Ook de videoregistratie van de openingsperformance is in de kast gezet. Het geheel is tot een nieuw werk gedoopt door het de titel Think Tank te geven. Op de planken staan glanzend gepolijste, eivormige sculpturen naast een ouderwets aandoend, maar gloednieuw, geëmailleerd bordje met daarop de tekst ‘Arm Nederland’. Er staan verschillende typische Gudmundsson-koppen: langwerpige, kogelvormige sculpturen met scherp afgesneden neus. Een glanzende, roze granieten kop steekt door de zitting van een houten caféstoel, waardoor een absurde voorstelling ontstaat.

Het oeuvre van Gudmundsson is divers in materiaal en in uitwerking: het loopt uiteen van performances tot sculpturen en van abstract tot figuratief. Alle werken bezitten echter eenzelfde raadselachtige vanzelfsprekendheid. Ze doen nog altijd denken aan de ‘Situations’, de vaak droogkomische Fluxus-achtige variaties op het alledaagse, waarmee de kunstenaar zijn carrière begon. In foto’s uit die periode registreerde hij zichzelf in merkwaardige situaties, bijvoorbeeld meebuigend met een verticale lijn in het beeld of met zijn hoofd onder een stoeptegel gestoken.

Decennia later is er weer een fotoserie. Dit keer registreerde de kunstenaar niet zichzelf, maar zijn werk in merkwaardige situaties. De grootschalige kleurenfoto’s zijn rondom de stellingkast gehangen; hun titels beschrijven sobertjes wat er ook al op de foto’s is te zien. Zo staren op Five males and an egg vijf volwassen mannen, staand op een rijtje van groot naar klein, enigszins verbaasd naar wat de paashaas heeft achtergelaten in de tuin: een groot lichtgevend ei. Het ei is onmiskenbaar familie van de eieren in de stellingkast. Daarmee kijken de personages in deze foto naar één van Gudmundssons sculpturen.

Eenzelfde Droste-effect vind je op de foto Admirers of my work. Op de binnenplaats van een galerieachtig gebouw staan drie volwassenen wat stijf en emotieloos tussen in bubbeltjesplastic verpakte werken. Dat zijn Gudmundssons hoofd-sculpturen, enkele ingelijste foto’s (waaronder ook het op deze tentoonstelling aanwezige Five women) en – pontificaal op de voorgrond – een groot ei. Deze foto vormt dus eigenlijk een soort spiegel van de tentoonstelling, waarin – net als in de stellingkast – verschillende werken uit verschillende perioden een onderling verband aangaan en samen een nieuw werk vormen.

Als beschouwer laat je steeds je hersens kraken, zoekend naar onderlinge relaties tussen en in de werken – iets wat versterkt wordt door een titel als Think Tank. Toch zijn het juist individuele elementen die een clou kunnen bieden, zo blijkt uit het prominent geplaatste Think Tank. Bovenop de kast prijkt een levensgrote, bronzen sledehond. De hond kijkt enthousiast naar het schoolbordje voor zijn neus met daarop de tekst ‘Cogito ergo sum’ (‘Ik denk, dus ik ben’, naar Descartes), ondanks het kaartje dat aan zijn staart is vastgemaakt met de tekst ‘can’t read’. Een vergelijkbare tegenstelling is er in de foto van IJslandse timmermannen, Icelandic carpenters & deceased philosophers, aan de muur. Een elftal stoere timmermannen staat voor een nog niet helemaal afgewerkte muur, met foto’s van overleden filosofen in hun handen.

Het doen versus het denken, het creëren versus het theoretiseren lijkt een doorlopend thema in Gudmundssons werk te zijn. Misschien moet de bezoeker die hard op zoek is naar betekenis en samenhang wat meer de houding van de ongeletterde hond als voorbeeld nemen: onbevangen en onbelast. De beeldtaal van Gudmundsson is geen code die ontcijferd moet worden, maar eerder kunst die je moet waarderen om het onbegrijpelijke. Gudmundsson lijkt te zoeken naar de schemerzone tussen het tastbare en het fantastische, tussen het concrete en het niet-rationele. Vandaar natuurlijk die gewillige onderwerping aan een hypnose.

CHARLES AND THE MUTES
Sigurdur Gudmundsson
23 mei t/m 4 oktober 2009

Galerie van Gelder
Planciusstraat 9-A, Amsterdam

Sigurdur Gudmundsson, FIVE WOMEN, 2005
Sigurdur Gudmundsson, FIVE MALES AND AN EGG, 2007
Marc Oosting, CHAOS BECOM SCSMS, 2009 (foto: Gert Jan van Rooij)

Het culturele platform De Service Garage opent het seizoen met een solotentoonstelling van Marc Oosting (1976). Het veelzijdige werk van Oosting is rijk aan kunsthistorische motieven en lijkt vaak te verwijzen naar de avant-garde kunst uit het begin van de twintigste eeuw. Afgelopen jaar belandde Oosting nog op de longlist voor de Prix de Rome en werd hij tot KPN Kunstprix winnaar verkozen. Voor zijn tentoonstelling in De Service Garage bouwt Oosting een installatie die gelijktijdig als omgeving voor zijn schilderijen en objecten dient. CHAOS BECOM SCSMS toont Oostings fascinatie voor tekst en tekens, die op dubbelzinnige wijze worden ingezet: als zelfstandig beeld en als leesbaar gegeven.

CHAOS BECOM SCSMS
Marc Oosting
16 september t/m 4 oktober 2009

De Service Garage
Stephensonstraat 16, Amsterdam

Bevrijdende diversiteit

Rosa Juno Streekstra
Suchan Kinoshita, ISO-FOLLIES, 2006 (foto: Peter Cox)

In Oud-Rekem, verkozen tot mooiste dorp van Vlaanderen, staat een prachtig gebouw met een bewogen geschiedenis. Dit kasteel, dat in 1597 werd gebouwd voor de adellijke familie D’Aspremont-Lynden, heeft in de twintigste eeuw lange tijd gefunctioneerd als psychiatrische inrichting. Het nabijgelegen Bonnefantenmuseum organiseert er deze zomer in samenwerking met Annemie van Laethem, die vaker als curator optrad voor het kasteel, de sculptuurtentoonstelling De Oversteek. Beelden uit de collectie van het Bonnefanten worden getoond naast werken uit privécollecties (Defauwes, Van Laethem en Vandenhove), en er zijn gastpresentaties van de Belgische Sofie Muller (1974) en de Nederlandse Frank Koolen (1978).

Rondlopen in dit kasteel is een ervaring op zich. Lange zalen worden afgewisseld met intieme ruimtes. De muren zijn getekend door afbladderende verf en oude, rode bakstenen; daglicht valt door de vele ramen naar binnen. Je zou haast vergeten dat je er kwam om kunst te zien. Voor De Oversteek hebben de curatoren een interessante selectie gemaakt uit verschillende perioden. Volgens het persbericht ligt de nadruk op Arte Povera en conceptuele kunst uit de collectie van het Bonnefantenmuseum, hoewel daarvan slechts een aantal te zien zijn. Voorbeelden zijn Luciano Fabro’s installatie van landmeterstokken en lange meetlatten die op marmeren zuilen rusten (Prometeo, 1986-1987), en een witte sculptuur van Sol LeWitt die uit strakke geometrische vormen bestaat (Complex Forms No. 8, 1988). Door hun omvang zijn deze werken in ieder geval wel nadrukkelijk aanwezig. Ook beeldhouwkunst uit de jaren zeventig en tachtig komt aan bod, onder andere met de ogenschijnlijke ruwe, architectonische vormen van Susana Solano. Zet hier de speelse epoxy sculptuur van Lily van der Stokker, beschreven met het woord ‘vergaderen’ (Vergaderen, 1997) en een bed met een in het witte matras gestoken rode roos van Pier Paolo Calzolari (Senzo Titolo, 1972-1975) uit Van Laethems privécollectie tegenover, en je merkt hoe uiteenlopend de getoonde kunstwerken eigenlijk zijn.

Binnen de presentatie van deze collectiewerken duikt op verschillende plekken het werk van de jongere kunstenaars Sofie Muller en Frank Koolen op. Mullers beelden zijn met hun directe lichamelijkheid een welkome aanvulling op de overwegend abstracte collectiestukken. Haar werk gaat over mensen, in dit geval kwetsbare kinderen, die ze creëert uit hard marmer en epoxy. De realistisch uitgevoerde beelden weten de hoge ruimtes uitstekend te beheersen, ondanks hun bescheiden formaat. Een meisje (Alice, 2008) staat in het midden van een lege kamer, schuin naar een hoek gericht. Wanneer je om haar heen loopt valt pas op dat haar aan beide kanten afgeplatte voorhoofd letterlijk in een punt de hoek in gedrukt wordt. Hoewel de beelden ieder een eigen naam hebben, zijn nergens de ogen uitgewerkt. Ze roepen zo op een indringende manier algemeen herkenbare emoties van uitsluiting of ‘anders zijn’ op.

Frank Koolen maakte speciaal voor de tentoonstelling een aantal nieuwe werken. Tropical Raft is een op blauwe tonnen drijvend houten vlot, gedecoreerd met gekleurde vliegengordijnen. Het werk past precies in de kleine kamer. Een vlot dat zou kunnen drijven op open zee is hier ingebouwd en opgesloten. Specifiek met de psychiatrische functie van het kasteel in het achterhoofd maakte Koolen ook Mirror Room, een kamer waarin de beschouwer met zichzelf en een eindeloos gereflecteerde ruimte wordt geconfronteerd. Het werk bestaat uit drie schotten, zes spiegels, een gekleurd narrenkostuum en een portret van acteur Marlon Brando. In welk schouwspel ben je hier beland? Op knappe wijze heeft Frank Koolen bevreemdende in-situ werken gemaakt. Ze passen in de omgeving, maar zijn geen flauwe, al te directe verwijzingen naar de context geworden.

Deze actuele werken zijn een sterke toevoeging aan het geheel en goed gekozen binnen de context van het kasteel. Het blijft echter onduidelijk wat het precieze verband is met de andere werken. Wat is überhaupt de rode draad in deze tentoonstelling? Een museale, leidende tentoonstellingstekst is achterwege gelaten, maar dat is nu juist wel een verademing. De kunstwerken zelf en niet een geforceerd thema staan hier voorop en worden in afzonderlijke ruimtes getoond. Dit sluit aan bij de wat tegenstrijdige omschrijving van de hedendaagse kunstcollectie van het Bonnefantenmuseum: een identiteit gebaseerd op ‘de eigenzinnigheid van afzonderlijke kunstwerken.’

Het is fijn dat de mogelijkheid geboden wordt om vooral zelf te kijken en vergelijken. Dan valt op dat er wel een overeenkomst is, zij het losjes. Alle beelden bezitten in hun eenvoud een niet te negeren directheid. Telkens word je na die eerste zintuiglijke indruk bovendien verrast door een diepliggender idee. Het werk van Suchan Kinoshita (Iso-follies, 2006) illustreert die mooie balans tussen vorm en inhoud goed. Zeven op de grond geplaatste ballen van zwart isolatiefolie zijn letterlijk gevormd door de niet zichtbare kleding en ander persoonlijk ‘afval’ die ze hebben ingesloten. Hun materiële impact wordt zodoende bij nadere beschouwing versterkt door het besef van de inhoud. Als je bovendien bedenkt dat Iso-follies, normaal duidend op ‘nutteloosheid’, letterlijk ‘geïsoleerde gekheid’ kan betekenen, krijgt de titel hier een nieuwe betekenis.

Toch blijkt het kasteel de voornaamste verbindende factor te zijn. Het weet alle kunstwerken in de tentoonstelling fysiek en soms ook conceptueel te versterken, zonder daarin te overheersen. Met name grote installaties komen hier beter tot hun recht dan in een white cube, wat te danken is aan de bewonderenswaardige manier van presenteren. De kunstwerken hebben de ruimte gekregen om te ademen. Het lijkt haast alsof de beelden zelf hun plek hebben opgezocht. Alles klopt precies, maar is nergens vervelend perfect. Knap, hoe curatoren tegelijkertijd aan- en afwezig kunnen zijn.

De geslaagde samenwerking tussen het Bonnefantenmuseum en Annemie van Laethem in kasteel Oud-Rekem wordt tenslotte bevestigd in een grote zaal op de bovenverdieping. Daar waar de psychiatrische patiënten sliepen heeft één van hen de muren versierd met schilderingen van Belgische stadsgezichten, gebaseerd op ansichtkaarten. Juist hier zijn de negen sofa’s, bedekt met afwisselend witte en zwarte stof, van de Oostenrijkse kunstenaar Franz West – een associatie met Freud is onontkoombaar – opgesteld. Leviten uit 1996 was specifiek voor het Bonnefantenmuseum gemaakt. Het werk is echter in kasteel Oud-Rekem, net als de andere beelden, geheel op zijn plaats.

DE OVERSTEEK. Beelden in Kasteel Oud-Rekem
Piero Calzolari, Richard Deacon, Luciano Fabro, Barry Flanagan, Frank Koolen, Sol LeWitt, Mario Merz, Jaap Mooy, Sofie Muller, Susana Solano, Shinkichi Tajiri, Franz West e.a.
12 juli t/m 4 oktober 2009

Kasteel d’Aspremont-Lynden
Groenplaats, Oud-Rekem (B)

Frank Koolen, MIRROR ROOM, 2009 (foto: Peter Cox)
Sol Le Witt, COMPLEX FORMS, NO 8, 1988 (foto: Peter Cox)
Franz West, LEVITEN, 1996 (foto: Peter Cox)
Laurence Aëgerter & Jennifer Skupin (grafisch ontwerp), poster OPENING SOON / OPENING NOW

Onder begeleiding van fanfaremuziek presenteerde Laurence Aëgerter (1972) haar project Opening Soon / Opening Now. Ze voelde zich een stadsnar en de muziekkeuze moest dat benadrukken. Aëgerter was ‘ingehuurd’ om als kunstenaar glans te geven aan een stadsvernieuwingsproject. De organisatie Redlight Art Amsterdam (een samenwerking tussen de gemeente, een woningbouwcorporatie en twee kunstinstellingen) gaf kunstenaars ruim een half jaar de beschikking over enkele voormalige bordelen tussen de Singel en de Herengracht in Amsterdam. Na de tijdelijke bezetting als atelier worden de panden waarschijnlijk verbouwd tot luxe appartementen. De kunstenaars vormen zo een schakel in het ‘gentrificatie’-proces dat de voormalige rosse buurten onherroepelijk zal veranderen.

Met deze positie had Aëgerter enige moeite. De vraag of zij als kunstenaar in de Korsjespoortsteeg wordt geëxploiteerd klinkt dan ook door in haar project. Ze gebruikte de ruimte niet gewoon als atelier, maar verhief haar rol in de toekomstige transformatie van het pand tot uitgangspunt. In het smalle zeventiende-eeuwse huis van krap drie meter breed lag de recente geschiedenis voor het oprapen: de bedden stonden nog in de peeskamers. Allereerst verzamelde Aëgerter samen met een patholoog-anatoom haar bewijsmateriaal (een kam, wat pillen), en maakte hier foto’s van. Om plaats te maken voor nieuwe functies organiseerde Aëgerter een schoonmaakperformance. Professionele schoonmakers ontdeden met overdadig sop de ruimte van de smetten van het verleden. Tegelijk leek het alsof de kunstenaar het schuldgevoel over haar rol in het project van zich afsopte. Welke betekenis ook aan deze performance gegeven wordt, het was duidelijk dat deze het moment markeerde waarop met nieuwe functies geëxperimenteerd kon gaan worden.

In de opeenvolgende maanden zorgde Aëgerter acht keer voor een totale transformatie van het pand. Zo was de ruimte een heel weekend een openbare bibliotheek, inclusief bibliothecaresse. Een avond lang was er een levendige Turkse snackbar gevestigd. Vervolgens was vanaf de straat te zien dat het pand een golfclub was geworden. Ook kon je er gedurende een week terecht in de ‘agnostische tempel’ en deed het pand dienst als ‘Institute for cultural remembrance and mnemonic practice’, waarbij Aëgerter herinneringen van buurtbewoners aan huisnummer 23 documenteerde. Als eindspektakel transformeerde ze het voormalige bordeel in een openbaar zwembad, compleet met zwemrooster en badmeester, om de orde en veiligheid te handhaven.

Alle functies voor het pand legde de kunstenaar vooraf vast op een gezeefdrukte poster die leest als een razend versneld afgewerkt bestemmingsplan. Telkens is maar één onderwerp zichtbaar, de overige zijn doorgestreept. Die zeefdruk benadrukt de willekeur van alle mogelijke functies die het stadspand kan krijgen. Ook suggereert Aëgerter dat de geschiedenis en de toekomst onbekend of vergeten zijn, en dat alleen het heden telt. En het heden dient met veel fanfare getoond te worden.

Aëgerters alternatieve bestemmingen in Opening Soon / Opening Now ontstonden uit kritiek op de rol van de kunstenaar in het veranderingsproces van het pand. Tegelijkertijd heeft de tijdelijkheid en willekeur van haar versneld afgespeelde toekomst ook betrekking op de kunstenaar zelf. Met de behendigheid van een projectontwikkelaar laat ze zoveel bestemmingen voorbij komen, dat het de buurt en de bezoekers gaat duizelen. Dat geeft de betrekkelijkheid van het hele gebeuren aan, maar ook van het belang van de aanwezigheid van Aëgerter zelf. Na afloop trekt zij met gemak een streep door haar werk. Net zoals een projectontwikkelaar resoluut een streep trekt door Opening Soon / Opening Now.

OPENING SOON / OPENING NOW
Laurence Aëgerter
Eindpresentatie 25 t/m 27 september 2009

Redlight Art Amsterdam / Red A.I.R.
Korsjespoortsteeg 23, Amsterdam

Korsjespoortsteeg 23 als zwembad (foto: Elmer van der Marel)
Korsjespoortsteeg 23 als Turkse snackbar