Tubelight ontdekt Almende #4: De omheining van hedendaagse kunst

—Brenda Tempelaar
De Beestachtige schat van Wapke Feenstra – Foto: Kunsthuis SYB & Eric Giraudet

Enkele eeuwen geleden graasde het vee van boeren in Beetsterzwaag op openbare weiden. Iedere boer had er dus belang bij om die weiden te onderhouden, omdat ze anders geen inkomen meer hadden. Zou iedere boer alleen hebben gehandeld uit eigenbelang, dan zouden er veel te veel koeien grazen, en zou het gedaan zijn met de weiden. Dat systeem functioneerde op basis van sociale controle en onderlinge afspraken. Werd de financiële gretigheid van één boer te groot, dan sprak men van een tragedie van de meent, zoals we nu op grotere schaal de oceanen leegvissen en de lucht vervuilen door te rijden en te vliegen.

Ook de meent, of gemeengrond van Beetsterzwaag kende zo’n tragedie. In de 18e eeuw begonnen veencompagnieën het hoogveen af te graven om aanzienlijke rijkdommen te verkrijgen. Nu danken we de bossen, enorme tuinen en monumentale panden waar de kunstenaars van de triënnale hun intrek namen, aan die rijke veenadel die de dienst uitmaakte. ‘Letterlijk een voedingsbodem voor het socialisme’, zoals een bezoeker van de triënnale het beschrijft. Want toen de veenprijs daalde waren de toch al straatarme veenarbeiders de dupe, met als resultaat dat zij getooid met rode vlaggen en socialistische liederen zingend de straat op gingen en pleitten voor zelforganisatie.

Almende, het thema van de tweede triënnale van Beetsterzwaag, is de middeleeuwse benaming voor dat gemeenschappelijke aandeel in grond, water en bossen. Het heeft sterke raakvlakken met de commons; natuurlijke hulpbronnen die voor iedereen in een gemeenschap beschikbaar zijn. Steeds meer mensen hechten belang aan de gemeenschappelijkheid die de commons beloven, en dat biedt Kunsthuis SYB de kans om de triënnale te betrekken bij een actueel discours. Maar iets ongrijpbaars als de commons vangen in een waterdicht tentoonstellingsconcept, is makkelijker gezegd dan gedaan.

Zoals de veenarbeiders zichzelf organiseerden, is ook nu de vraag hoe je als kleinschalige kunstinstelling invloed kan uitoefenen op een overkoepelende macht, in dit geval het moederevenement Leeuwarden-Fryslân 2018. In het nieuwe door hem en Nico Dockx samengestelde boek Commonism: A New Aesthetics of the Real, schrijft socioloog Pascal Gielen dat zelforganisatie de enige weg is naar verandering in de kunstsector. Een belangrijk commentaar, want net als de biënnale van Venetië en de documenta is het kleinstedelijke Almende gebaseerd op een sociaal en politiek thema, maar aan het eind van de rit opereert deze manifestatie nog steeds binnen het raamwerk van de markt en de creatieve industrie.

Dat raamwerk blijkt al uit de banieren die boven de Hoofdstraat prijken, met de leus Beetsterzwaag Culturele Hoofdstraat. Dit is geen saai dorp, hier is iets te beleven, ‘van lekker laagdrempelig tot cultuur met hoofdletter C’ zoals op de website van de Culturele Hoofdstraat te lezen is. Tegelijkertijd wringt Leeuwarden-Fryslân 2018 al vanaf de eerste dag bij de lokale burgers. Er werd geagiteerd gereageerd op het feit dat er al jaren bezuinigd wordt op behoud van natuur en culturele voorzieningen, maar dat er wel hoge bedragen worden geïnvesteerd in een kortstondig evenement zonder overtuigende langetermijnvisie. 

Het lukte mij niet deze ophef te vergeten toen Tjeerd van Bekkum, directeur van Leeuwarden-Fryslân 2018 en VVD-politicus, op de opening van Almende sprak over het belang van kunst. Ironisch genoeg wordt de triënnale als vrijplaats van Kunsthuis SYB hier aangeprezen als een van de paradepaardjes van Leeuwarden-Fryslân 2018, zoals een enkeling eeuwen geleden al de vruchten plukte van de gemeenschappelijke vrijplaatsen in Beetsterzwaag.

Curatoren Niekolaas Johannes Lekkerkerk en Julia Geerlings zijn minder cynisch. In begeleidende teksten wekken zij de suggestie van kritiek op iepen mienskip, het thema van Leeuwarden-Fryslân 2018, maar van echt verzet is geen sprake. Zij presenteren hun triënnale vol goede moed als een eclectische, visueel verleidelijke mix van politiek, ecologie, en sociale betrokkenheid, opgedeeld in twee clusters. Er is een overeenkomst tussen werken die andere diersoorten benaderen en belichamen, zoals dat van Toon Fibbe en Laura Wiedijk, Paul Geelen, Eglė Budvytytė en Madison Bycroft. En er zijn kunstenaars die zich richten op alternatieve gemeenschaps- en samenlevingsvormen zoals Deirdre Donoghue, Wapke Feenstra, Louwrien Wijers en Eric Peter.

Deze twee clusters vertegenwoordigen belangrijke strijddoelen waar linksgeoriënteerde commoners voor vechten, maar zo’n hermetische aftimmering van de kunst die in de triënnale te zien is schetst ook een overgeromantiseerd beeld. Is de aandacht voor niet-menselijk leven niet juist een typisch voorbeeld van de mens die zichzelf centraal stelt? Ter illustratie, Toon Fibbe en Laura Wiedijk deden onderzoek naar het fenomeen Otherkin, waarbij mensen zich verkleden als dieren, en maakten een prachtige video-installatie in een oude schuur. Maar het werk gaat helemaal niet over de wens om een dier te zijn, integendeel: het vraagt ons wat voor mensen we willen zijn.

In het andere cluster, de alternatieve gemeenschap, is Wapke Feenstra de triënnale vooruit door de commons op te vatten als handelswijze. Zij richtte in 2006 The International Village Shop op, waar ze producten verkoopt die ingaan op de lokale cultuur en geschiedenis van het platteland. Om producten te maken in Beetsterzwaag zette ze lokale ambachtslieden met elkaar aan tafel, om collectief te werken aan een creatief proces. Er werd een Beestachtige schat gemaakt; een boontje in een zilveren doosje, met een mollenhuid verpakt. En een kaars van een tweekoppige wolf; Janus die Wolfkerze vertegenwoordigt het cultureel erfgoed van de Lüneburger heide en de terugkeer van de wolf in het dagelijks leven. Met haar mand vol koopwaar zorgt Feenstra voor gegniffel op straat, maar wat ze verkoopt is slechts een middel. Het eigenlijke doel is om politiek relevant en sociaal interfererend te zijn en door een gat heen te springen in de omheining van hedendaagse kunst. Die uitweg bestaat uit oprechte toewijding. Want het gat is groot tussen Feenstra’s langdurig toewijding aan dorpscultuur en een vierdaags festival. Gebeurt hier werkelijk iets dat de kortstondige affaire tussen Leeuwarden-Fryslân 2018 en de provincie Friesland bekritiseert, op Feenstra na?

De opvatting van de commons als common good, een vorm van gemeenschappelijk bezit of letterlijke gemeengrond zoals de term ‘almende’, schetst een eenzijdig beeld van een ideologie in opkomst. De commons worden niet alleen gevormd door een ecologisch bewustzijn. Ook teleurgestelde neoliberalen zoeken in de commons een antwoord op het falen van markt en overheid. Dat is ook precies wat deze samentrekking van het middeleeuwse almende, een kleinschalige kunstinstelling en een marketingmachine als Leeuwarden-Fryslân 2018 zo merkwaardig maakt. Alsof het er voor die paar dagen niet werkelijk toe doet dat je te gast bent in het jeugdhonk van een Protestantse gemeenschap, in openbare tropische kassen die door een kleine groep vrijwilligers onderhouden worden, of bij een adellijk landgoed. Al die plekken staan garant voor een bijzondere kunstervaring, maar de gemeenschap blijft een decor.