Anonimiteit in de smartphoneloze grote stad

—Jonas Kooyman

 

Abel, 31 jaar, woont nog bij zijn ouders en is al twee jaar niet meer buiten geweest. Als een avant la lettre-variant van de meme ‘I don’t want to adult today’ brengt hij zijn tijd door met het via een verrekijker bespioneren van overburen, het proberen door te knippen van vliegen en het zieken van zijn middenklasse ouders – vooral met zijn vader botst hij hard. De zwarte komedie Abel (1986) was in het kader van de expositie Lhistoire kaputt van filmmaker, kunstenaar, schilder en dichter Alex van Warmerdam (die in deze film de gelijknamige hoofdrol speelt) afgelopen zomer twee maal te zien in filmmuseum Eye.

Wat vanaf de openingsscène opvalt is de Hopperesque esthetiek van de film (de art direction is in handen van Harry Ammerlaan). Als een jaren tachtig-versie van Edward Hoppers iconische schilderij Night Windows zie je door Abels verrekijker – in een overigens fictieve stad, die een mengeling lijkt van Rotterdam en Amsterdam – een doorsnee van de moderne stadsbewoner: een man in de woonkamer op zijn crosstrainer, een flikkerende tv met cowboyfilm, een koppel verwikkeld in sm-praktijken. Wat de film, dertig jaar na dato, relevant maakt, is deze esthetiek van de stedelijke anonimiteit, dezelfde anonimiteit die het voyeurisme van de hoofdpersoon mogelijk maakt.

Verschillende keren is een skyline (een overduidelijke miniatuur, maar daarom niet minder mooi) van de fictieve stad te zien: wolkenkrabbers, verlichte ramen, de afwezigheid van groen of mensen, onder een van kleur verschietende hemel. Als Abel na een ruzie letterlijk door zijn vader het huis uit wordt geschopt, komt hij in een monochroom grijs straatbeeld terecht: colonnes zakenmannen- en vrouwen lopen hem straal voorbij, terwijl hij in oranje jas op de grond ligt. En dan nog zo’n pre-digitale verbeelding van de anonieme en verleidelijke stad: een nog piepjonge Annet Malherbe op een draaiend plateau in een peepshow, begluurd door tien mannen tegelijk achter smalle kijkgaten. Of de lege lunchroom in de nacht, met eeuwig ronddraaiend taartplateau, een bijna letterlijke verwijzing naar Hoppers Nighthawks. Niet alleen deze sfeersetting, maar ook het gebruik van grote vlakken met koele kleuren in de scènes die zich buitenshuis afspelen doet denken aan de Amerikaanse schilder.

Zou je stedelijke anonimiteit anno 2018 proberen te verbeelden, dan zou dat een stuk gecompliceerder zijn (en zou de buurt waarin Abel woont sowieso gegentrificeerd zijn met hippe koffiebars en onbetaalbare concept stores). In plaats van een verrekijker zou de hoofdpersoon vastgekleefd zijn aan zijn smartphone, verdwaald in de filterbubbels van zijn sociale mediakanalen. De avonturen – Abel begint een verhouding met stripper Zus (Malherbe), die tegelijk een affaire met zijn vader heeft – zou hij waarschijnlijk niet meemaken, de toevallige stedelijke ontmoeting lijkt in 2018 nauwelijks meer te bestaan.

Dat maakt de film zo fijn om te zien in dit tijdperk van geglazuurde, veryupte en monotone metropolen: het is een ode aan het anonieme stedelijke gevoel in het pre-internet tijdperk. Door de mensen die Abel op straat ontmoet raakt hij uiteindelijk bevrijd van zijn oude leven. De film is een krachtige herinnering aan het feit dat juist deze toevallige ontmoetingen de grote boze stad zo waardevol maken.

Jonas Kooyman schrijft over trends en cultuur. Hij is online redacteur bij NRCs boekenredactie.