Tubelight beleeft The Common Inn #2: Is talent een publieke obsessie?

Jelmer Wijnstroom
Fotografie: Aan Hoogendoorn

Op donderdag 18 april 2019 vond bij Het Nieuwe instituut in Rotterdam The Common Inn plaats, een ‘gemeenschappelijke verblijfplaats die ruimte biedt voor presentaties van, gesprekken over, performances door en reflecties op talent‘. Tubelight vroeg drie auteurs om verschillende aspecten van de dag te recenseren. In onderstaande tekst reflecteert Jelmer Wijnstroom op het onderdeel White Sheets.

White Sheets is de titel van een gespreksronde die 18 april 2019 in Het Nieuwe Instituut te Rotterdam wordt gehouden. Centraal thema van deze dag, getiteld The Common Inn, is talent en talentontwikkeling. Tijdens White Sheets geven drie deelnemers – werkzaam bij diverse organisaties in de cultuursector – inzicht in hoe zij in hun dagelijks werk talent tegenkomen en met talentontwikkeling omgaan.

Maar wat is talent eigenlijk? De Van Dale definieert het als ‘natuurlijke begaafdheid; = aanleg’. Je krijgt het dus mee met je geboorte. Tegelijkertijd is het een beladen begrip, denk aan uitspraken als “niks is zo zonde als verspild talent.” Als je talent hebt, moet je er in de huidige maatschappij “iets mee doen.” Waar ik direct aan moet denken is de grote hoeveelheid talentenjachten waar we naar kijken en waar veel aandacht aan wordt besteed, maar waarvan we de winnaar soms na minder dan een maand alweer vergeten zijn. Talent ontdekken lijkt een publieke obsessie geworden, maar wat levert de obsessieve zoektocht naar talent uiteindelijk echt op?

Wanneer ik de ruimte waar het gesprek plaatsvindt binnenkom, vraag ik mij af waarom er wit opgemaakte stapelbedden staan. Wellicht is het een symbolische betekenis voor nieuw vers beddengoed: een nieuw begin (“White Sheets”)? Of is het de bedoeling dat de matrassen een rustgevend effect op de toehoorder hebben? De groep is klein: naast de drie sprekers en een moderator zijn er slechts vijf luisteraars. Iedereen krijgt draadloze hoofdtelefoons die normaal gebruikt worden voor een silent disco, met als doel de luisteraar meer focus op het gesprek geven. In de hoek van de kamer staat een grote herdenkingskrans. De setting is gecreëerd door de curatoren Simon Becks en Jules van den Langenberg. De koptelefoons zijn op zich een goed idee, maar werken in deze kleine groep juist averechts: het belemmert de interactie tussen sprekers en luisteraars. De bedden doen onnodig en oncomfortabel aan, ik moet letterlijk steeds zoeken naar evenwicht. De herdenkingskrans is een leuke toevoeging, maar een reden waarom deze er staat wordt niet gegeven. Mogelijk verwijst de krans naar een uitvaart van verspild, gesneuveld talent.

Het gesprek wordt kundig geleid door Huib Haye van der Werf, hoofd artistiek programma bij Van Eyck te Maastricht. De rode draad in het gesprek is hoe de sprekers te maken krijgen met talent, en wat het betekent om getalenteerd genoemd te worden. De drie sprekers zijn werkzaam in verschillende domeinen van de culturele sector: Inger Kammeraat is managing director bij architectenbureau MVRDV, Arno van Roosmalen is directeur van presentatie-instelling Stroom in Den Haag en Pascale Gatzen is hoofd en hervormer van de Master Fashion Design bij ArtEZ. De keuze voor deze sprekers werkt goed, omdat elk vanuit een ander perspectief op het begrip “talent” inzoomt.

Kammeraat geeft aan dat je een gegeven talent kunt ontwikkelen door dat waar je goed in bent, veel te doen. MVRDV hoeft niet zelf actief naar talent te zoeken: per week ontvangen ze honderden open sollicitaties. Degene die vervolgens uit al deze sollicitaties een mogelijk talent plukt, schijnt hier zelf talent voor te hebben en is dus voor deze functie binnen het bedrijf de meest aangewezen persoon.

Het begrip talent heeft volgens mij ook een minder makkelijke kant: het is iets inherents, een gave, een virtuositeit, iets dat aangeboren is en niet kan worden aangeleerd, maar wel herkend en verder ontwikkeld kan of moet worden. Om een talent te herkennen moet dat zich geuit hebben. En als het niet geuit is, is het verspild wordt vaak gezegd. Er is een verschil tussen vaardigheden en talent. Vaardigheden kan je aanleren en ontwikkelen, en talent is kennelijk iets dat je meekrijgt, maar zelf, of met behulp van anderen, moet herkennen. Uit het gesprek blijkt dat talent en vaardigheid niet hetzelfde is, maar dat deze begrippen wel vaak door elkaar gebruikt worden. Volgens mij wordt hierdoor het hebben van talent minder bijzonder. Wanneer iemand veel uren steekt in iets waar hij geen aanleg voor heeft, kan de betrokkene het in zekere mate leren. Daarom kan dit eigenlijk niet talent genoemd worden.

Van Roosmalen, sinds 2005 directeur van Stroom bespreekt hoe binnen zijn organisatie talentontwikkeling bij kunstenaars wordt ondersteund via een subsidie instrument, en hoe het ontwikkelen van talent binnen de organisatie zelf wordt gestimuleerd. Stroom steunt talentvolle Haagse kunstenaars onder andere door middel van een subsidie van een jaar: de PRO subsidie. Om voor deze subsidie in aanmerking te komen moeten de kunstenaars zichzelf presenteren en bewijzen via een schriftelijke aanvraag. Het aanvragen kan een obstakel vormen wanneer een kunstenaar geen aanleg heeft voor schrijven. Zij kunnen uiteraard iemand inhuren die de aanvraag voor ze schrijft, maar niet iedereen heeft hier de middelen voor. Het is daarom niet per definitie waar dat subsidies toegankelijk zijn voor degene met talent.

Stroom bestaat uit een team waarvan de werknemers niet specifiek geschoold zijn voor de positie die zij bekleden. Dit geldt voor iedereen behalve de communicatiemedewerker. De werknemers zijn dus op hun plek gekomen met de wilskracht om iets te doen en het uit te voeren op een andere wijze dan gangbaar is. Dat is volgens Van Roosmalen een manier om een talent te ontplooien. Het is bijzonder dat Stroom op die manier zijn werknemers uitdaagt om zichzelf te blijven ontwikkelen.

De laatste spreker, Pascale Gatzen, kaart aan dat talent hebben niet direct betekent dat je succes hebt. Gatzen wil dat haar studenten nadenken over wat zij willen doen met hun talent. Je hoeft  namelijk geen succes te behalen om gelukkig te worden van hetgeen waar je goed in bent. Of succes bereikt wordt ligt aan het doel dat iemand heeft en het werk dat diegene wil doen. Als docent wil Gatzen een win-win situatie voor de student creëren: een situatie die bijdraagt aan het welzijn van de student zelf en aan het doel dat de student heeft. Ze benadrukt dat talent iets is dat iemand zelf voelt en waar iemand dynamiek van moet krijgen. Deze dynamiek zou idealiter juist niet verbonden moeten zijn aan een set regels en verwachtingspatronen over hoe talent ‘benut zou moeten worden’. De grootste waarde van talent is volgens haar geluk en voldoening ervaren in datgene wat je doet, zowel in je werk als in je privéleven.

Als de drie sprekers hun verhaal hebben afgerond, is de sessie beëindigd. Omdat sommigen sprekers vroegtijdig weg moeten, is er geen afsluitende discussie. De setting van het gesprek en de wijze waarop het abrupt werd afgesloten verhinderden helaas een actieve gedachtewisseling met het kleine groepje aanwezig publiek.

Jammer, want het gesprek zorgde ervoor dat er bij mij veel vragen opkwamen over de geldigheid van het begrip talent, en de manier waarop talent zich verhoudt tot termen als succes, zichtbaarheid en vaardigheden. Ik vind het vreemd dat er zoveel nadruk op ‘talent’ als term wordt gelegd. Als iemand wordt geprezen om het ‘talent’ dat diegene heeft, levert het vaak druk op die persoon. De visie van Pascal Gatzen uit volgens mij wat talent zou moeten zijn: de zoektocht naar wat je echt leuk vindt om te doen. Misschien moeten wij een andere term voor het fenomeen ‘talent’ bedenken, een woord dat beter de lading dekt. Of moeten we het woord talent gewoon minder vaak gebruiken om het bijzondere karakter ervan te blijven zien?.

Jelmer Wijnstroom studeerde in 2018 af aan de Master Museumconservator  bij de Universiteit van Amsterdam en is momenteel curator bij Patty Morgan.