(Rand)voorwaarden

Alix de Messiac

In een krant las ik een interview met een Nederlandse, in Denemarken werkzame, viroloog die sprak over COVID-19 als het definitieve einde van de wereld zoals wij die kennen. Hij vergeleek de bewustwording hierover als de omwenteling die plaatsvond nadat men in de jaren 80 kennis maakte met hiv, het seksueel overdraagbare virus dat door Amerika en Europa raasde en grote happen nam uit hele generaties. Jonge mensen, oude mensen: iedereen deed aan seks, en dus moest op den duur iedereen met wisselende contacten aan beschermde seks geloven. Vrije liefde werd besmettelijke liefde en geslachtsverkeer kreeg een levensgevaarlijk randje.

De viroloog stelde dat COVID-19 het derde SARS virus is dat in korte tijd om zich heen grijpt. Mede door bevolkingsdichtheid en vrij (vlieg)verkeer konden de virussen ongemoeid hun gang gaan. Als een dominosequentie staan landen via personenverkeer klaar om te bezwijken. De luchthavens corresponderen. Sjeremetjevo in Rusland tikt zachtjes Narita International Airport in Japan aan, Sir Seewoosagur Ramgoolam International Airport van Mauritius haalt het net nog en legt op tijd contact met Berlin Tegel in Duitsland. De viroloog vergelijkt de in zijn ogen legitieme grenzen rondom geslachtsverkeer met sociaal verkeer en we komen er met z’n allen bekaaid vanaf. Het boezemt me angst in. De werking van het condoom is inmiddels onomstreden, maar dat maakt het niet minder onaangenaam.

Misschien is de timing toeval, maar tot de jaren tachtig beleefde ook het museum – met een kleine schrik in de jaren zestig – een kritiekloos bestaan. Tot die tijd discussieerde men binnen de institutionele context enkel over de technische aspecten van het verzamelen en ontsluiten van kunst. Het tentoonstellingsdrieluik The Art of Critique in het Haarlemse Frans Hals Museum, gecureerd door Melanie Bühler, buigt zich over kunstenaars die zich bezighouden met institutionele kritiek. De verwachte tweede tentoonstelling, is op de website te lezen, zal zich buigen over representatie: wie wordt opgenomen in de collectie en wie niet? Welke bezoekers worden door de programmering aangesproken en wie wordt genegeerd?

Deze vraagstelling is in lijn met het groeiende ongemak dat rondwaart in de kunstwereld sinds Pierre Bourdieu al schrijvend in La Distinction: Critique sociale du jugement (1979) in één ruk de kunstwereld van haar schaamlapje ontdeed. De kunst werd ontmaskerd als weinig inspirerend cultureel kapitaal van de elites. Maar het zou niet eerlijk zijn om onze culturele malaise op een Franse socioloog af te schuiven, wiens theorieën later ook nog eens gedeeltelijk werden ontkracht. Daarvoor is het getob te wijdverspreid, de kunstwereld binnen en buiten de musea als geheel te zeer in het geding. Met of zonder COVID-19, de kunst bevindt zich – zoals presentator Philip Freriks het in de spelshow De Slimste Mens noemt – in de ‘gevarenzone’. Bij gebrek aan grootse politieke alternatieven wordt de kunst verweten dat ze ondanks grootschalige sponsoring niet met iets beters of iets anders heeft kunnen komen. Voor de één te weinig schone schilderkunst, voor de ander te weinig snoeiharde kritiek, kunst zonder scherpe tanden, zonder zachte tong.

In sommige kringen wordt neergekeken op de (vermeende) ideologische slag om taal, beeld en representatie. Het veelgehoorde argument is dat het museum een onmogelijke taak krijgt toegewezen en het ten onrechte wordt gezien als de plek bij uitstek waar sociale problemen kunnen worden aangekaart, en die hele groepen mensen troost kan bieden voor sociaal-economisch onrecht. Het is een snelle karikatuur, maar het activistische museum zoals kunstenaars, schrijvers en curatoren dat opeisen stelt zichzelf inderdaad als taak om onrecht te erkennen, in plaats van de zoveelste tentoonstelling met formalistische schilderkunst te organiseren en die als ‘basis’ te positioneren.

Wat ik niet begrijp: waarom worden de belangen als patstelling gepresenteerd? Waarom stelt de Amerikaanse criticus Nancy Fraser in Justice Interruptus (1997) dat erkenning binnen het instituut de aandacht zal wegnemen van daadwerkelijke sociaal-economische hervorming? Dat ‘zachte’ culturele veranderingen een afleidingsmanoeuvre zijn om de noodzaak van ‘harde’ reorganisaties af te wenden? Waarom is het of/of en niet en/en? Waarom staat het maken van een tentoonstelling haaks op een kunstenaar opnemen in de begroting? En tot slot: waarom worden sommige mensen nog steeds slechts gezien als spreekbuizen van doelgroepen die zich enkel ten opzichte van hun eigen belangen kunnen bewegen? De bakken slechte politiek georiënteerde kunst (en in het verlengde daarvan de tentoonstellingen die ermee worden samengesteld) die worden gemaakt zullen echt niet vergetelijker zijn dan de talloze aangekochte werken uit voorgaande decennia die met smart in depots liggen te wachten tot iemand ze een blik waardig gunt. Koop het gewoon, het spreekwoordelijke kaf van het koren scheiden komt later wel.

Het enerzijds stellen dat politieke en sociale problematiek in het museum niets te zoeken heeft, of het museum anderzijds met een onmogelijke maatschappelijke taak opzadelen, beperkt bij voorbaat het gesprek dat gevoerd kan worden met en om de kunst heen. Het leidt tot een gesprek over kunst waarbij het alleen maar of juist niet over ambacht, kleur of materiaalkeuze moet gaan. Maar het een sluit het ander niet uit. Ik geloof niet in de kracht van kunst om dingen te veranderen, althans niet direct. De enige ideologie die ik in dit kader aanhang is die van de kracht een gesprek op gang te brengen. Een gesprek over kleur als palet en (wellicht opgedrongen) identiteit. Een gesprek over kunst, de kunst van het gesprek.

Een aantal voorstellen voor de toekomst waarin en/en vanzelfsprekend zal zijn. Met een keur aan steekwoorden waar iedereen na verloop van tijd horendol van zal worden omdat ze onvermijdelijk als lege omhulsels in het bodemloze gat van beleidsstukken, mission statements en ‘rand’voorwaarden zullen worden gemikt. Tot die tijd is het zaak de woorden als herlaadbare batterijen zoveel mogelijk energie te geven in de vorm van gesprekken, intenties strijdbaar waar te maken. Transparantie. Diversiteit. Vakbonden. Afstoten. Aantrekken. Een verbod op het woord ‘inclusief’, omdat het leven geen feestje is waar je niet voor kunt worden uitgenodigd. Je bent er immers al. Dit zijn de randvoorwaarden van de toekomst die we samen projecteren: zo hoog mogelijk de lucht in, zo diep denkbaar inwaarts.

Alix de Massiac is schrijver, cureert bij tijd en wijle en is redacteur bij Metropolis M