Een lege plek om te blijven* 

—Laure van den Hout

 
‘Het probleem is niet om de ruimte uit te vinden, en al helemaal niet om de ruimte opnieuw uit te vinden […], het probleem is om de ruimte te ondervragen of, nog simpeler, de ruimte te lezen.’ 

Uit: Ruimten rondom (Espèces d’espaces (1974)) – Georges Perec 

Hoe worden we ons gewaar van zoiets alledaags en tegelijk zo ongrijpbaars als ruimte? Hoe lees je ruimte, in het bijzonder zo’n ingewikkeld construct als de museale ruimte? Georges Perec opent zijn ‘dagboek van een ruimtegebruiker’ Ruimten rondom met een lijst van 52 soorten ruimte. Museale ruimte is er daar niet een van. Op de pagina links van de lijst staat een illustratie. Het is een vierkant kader gevormd door een dunne zwarte lijn. Binnen dat kader is niks te zien, dat wil zeggen: niets anders dan op de rest van de pagina. Slechts de structuur en de ‘kleur’ van het papier. Het bijschrift laat weten dat dit ‘Figuur 1. Kaart van de oceaan’ is, afkomstig uit De jacht op de slaai van Lewis Carroll. Er is geen schaal aangegeven, en naast leegte is er geen inhoud. Op het onderschrift na maakt Perec geen woorden vuil aan een verwijzing naar Carroll.  

Afgelopen zomer ben ik in de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum, waar ik het Aldo van Eyck-paviljoen leeg aantref. Ik moet denken aan de pogingen van Perec om de ruimte in kaart te brengen. Het paviljoen bestaat uit rechte wanden en muren in de vorm van een halve cirkel die samenkomen in een ogenschijnlijk labyrintisch geheel. Daarin bevinden zich sokkels en vitrines om kunstwerken te tonen. Alleen zijn alle werken weg op het moment dat ik er ben. Het cement op de sokkels herinnert eraan dat hier beelden verankerd hebben gestaan. Het metalen frame van het dak legt een adembenemend lijnenspel over het gebouw heen. 

Het Aldo van Eyck-paviljoen is niet mijn eerste kennismaking met museale leegte. In 2010 ben ik in Museum Folkwang in Essen, waarvan op dat moment een groot gedeelte leeg is. Er zijn werkzaamheden in de oudbouw en om die reden is deze ontdaan van de kunstwerken. De in een u-vorm aaneengeschakelde zalen met krakende parketvloer zijn echter gewoon toegankelijk voor publiek. Terwijl werklieden de kozijnen schilderen valt het licht ruimschoots door de raampartijen naar binnen. Ik blijf door de lege zalen lopen in een poging te duiden wat deze ervaring zo magisch maakt. Omdat de leegte zo intiem is, moet ik denken aan het gedicht XIV van Rutger Kopland: ‘Ga nu maar liggen liefste in de tuin, / de lege plekken in het hoge gras, ik heb / altijd gewild dat ik dat was, een lege / plek voor iemand, om te blijven.’ In vergelijking tot de nieuwbouw waar volop kunst en navenante bedrijvigheid te zien is, voelt de oudbouw als de gekoesterde lege plek in het gras. Ook al is het niet intentioneel, het lijkt passend dat er in het museum gevoelsmatig evenveel lege ruimte aanwezig is als dat er volle zalen zijn.  

Ik ‘verzamel’ ervaringen van museale leegte omdat ze me in staat stellen opnieuw na te denken over de constructen ruimte en museale ruimte. Zoals Perec schrijft is het probleem niet om de ruimte (opnieuw) uit te vinden, maar om haar te bevragen en te lezen. Hoe doe je dat als de ruimte zo vanzelfsprekend is geworden, autonoom haast in haar dienende karakter? En dan heeft Perec het alleen nog maar over de alledaagse ruimtes. Het appartement of rijtjeshuis waarvan we vergeten dat er aan de andere kant van de muur ook nog iemand woont. Er moet iets ongewoons gebeuren wil het niet-alledaagse van de ruimte op de voorgrond treden: lege museale ruimte is daar een voorbeeld van. Voor even staat wat we over haar denken te weten (de gemeenplaats van de vormende werking van de white cube, bijvoorbeeld) op losse schroeven. Pas als dat gebeurt kunnen we nadenken over wat er met de vormende werking van de museale ruimte gebeurt als die ruimte leeg is.  

In 1968 bevraagt Gordon Matta-Clark de ruimte op een manier die Perec denk ik graag gezien had. Dit gebeurt tijdens een eredienst voor Marcel Duchamp, de in oktober dat jaar overleden peetvader van Matta-Clark. In een ruimte met een vierkant vloeroppervlak luisteren de bezoekers naar een vriendin van Matta-Clark – verkleed als Rrose Sélavy, het vrouwelijke alter ego van Duchamp – die vanaf de balustrade gedichten voordraagt. Als het einde van de performance nadert, begint Matta-Clark een plastic zak met een volume zo groot als het oppervlak van de vloer te vullen met lucht. Langzaam maar zeker worden de bezoekers gedwongen de ruimte te verlaten. Doordat het plastic volume de lucht begrenst, wordt de leegte een vormende structuur waartoe de mensen zich moeten verhouden. Er is niet langer leegte waarin je kunt staan, rondlopen of zitten, maar een dwingende vorm die een plek inneemt. Het element lucht, dat wij leegte noemen als het kan worden waargenomen als de inhoud van iets, wordt gekaderd. 

Matta-Clark maakt op deze manier aanwezigheid, ‘volheid’ en ogenschijnlijke leegte zichtbaar. Hij verbeeldt hoe verlies kan voelen: het niets dat iets wordt, het iets dat niets wordt. Hij laat ermee ook de architectuur van ruimtelijkheid zien, maakt haar invoelbaar. Niet door te bouwen, maar door een ingreep in de ruimte. Dit blijft hij de rest van zijn kunstenaarsloopbaan doen; aan de hand van ingrepen in bestaande gebouwen laat hij zien hoe ruimtelijkheid en constructie werken. Architectuur om te laten zien wat ze schept: ruimtes (opgetrokken) uit ruimte.  

 Ook de Britse kunstenaar Rachel Whiteread neemt bestaande, alledaagse ruimtes als uitgangspunt. Ze zijn de mal voor haar sculpturen. Zo maakt ze afgietsels van de onderkant van een bed (Shallow Breath, 1988) en van een linnenkast (Closet, 1988). Maar ook van grotere ruimtes. In 1990 van een kamer (Ghost) en ten slotte in 1993 van een heel woonhuis (House). Ghost is een poging, aldus Whiteread, om de lucht in de ruimte te mummificeren. In wezen zijn de meeste van haar sculpturen dat: een vormverandering van lucht (leegte) naar iets vasts. Een dichtheid die in het geval van Whiteread zo dicht is dat we ons er niet meer in kunnen begeven. 

Door in te grijpen in bestaande gebouwen of afdrukken te maken van bestaande ruimtes, wordt de fundamentele aard van onze (leef)ruimtes blootgelegd. Wat we tot voor kort als voorwaardelijk hielden wordt ineens voelbaar en zichtbaar. Een drukkende leegte; een aanzwellende aanwezigheid. Met als gevolg dat de lege museale ruimte niet als mal gebruikt hoeft te worden, of onderworpen hoeft te worden aan andersoortige ingrepen, willen wij haar kunnen ervaren als ‘iets’. De omkering is met het zien van dit soort werken verinnerlijkt. We zien niet langer wat er ontbreekt, maar kunnen een volheid gewaarworden. Wanneer de beeldhouwwerken afwezig zijn stelt het Aldo van Eyck-paviljoen de leegte tentoon, plaatst haar op een voetstuk en achter glas. Het paviljoen is het kader, het bijschrift luidt: kaart van de museale ruimte. Alles wat je erin plaatst wordt vorm, zelfs het niets wordt iets.

Laure van den Hout schrijft en denkt over kunst en is grafisch ontwerper. 

*Naar de gelijknamige bundel van Rutger Kopland uit 1975, en naar de regel uit het daarin opgenomen gedicht XIV.