Berusting en rebellie

—Constantijn Smit
Jasper Griepink, LAYA PAPAYA'S PUBLIC BATHHOUSE, 2013

Kunst zonder plaats of tijd. Hoe maak je als kunstenaar betekenisvolle kunst vanuit nergens? Dat is een vraag die hedendaagse kunstenaars moeten beantwoorden. Plaats is tenslotte relatief in de virtuele wereld. Na het postmodernisme is de idee van chronologie eveneens vrij zinloos in de kunstwereld. Dit maakt het plaatsen van kunstop zijn zachtst gezegd lastig. Kunstenaars zijn vrij om met hun kunst door de tijd en ruimte te springen, zo­als Billy Pilgrim in Slaughterhouse-Five. Maar zoals deze schlemielige held in Kurt Vonneguts boek ondervindt, worden in een dergelijk universum alle gebeurtenissen betekenisloos. Alles is al gebeurd, zelfs wat nog te gebeu­ren staat. De truc die de hoofdpersoon Pilgrim van de buitenaardse Tralfamadoriërs leert, is om je te richten op de prettige periodes en de afschuwelijke te negeren. Een volledige subjectieve keuze voor geluk. De keuze voor een bijna naïeve subjectiviteit is ook te ontdekken bij hedendaagse kunst. De zoektocht naar individuele,sub­jectieve betekenis is dan ook de rode draad die door de eindexamenexpositie van het Piet Zwart Institute loopt. 

De Piet Zwart Institute Graduation Show van de masteropleidingen Media Design and Communication en Fine Arts, te zien in TENT en V2_ in Rotterdam, is eigenlijk opgebouwd uit twee afzonderlijke exposities.Hoewel ze elk een eigen thema en eigen curatore hebben, lopen ze ruimtelijk naadloos in elkaar over. Dit nodigt uit tot een onderlinge vergelijking. 

De expositie van de studenten Media Design and Communication, samengesteld door curator Willie Stehouwer, heeft als thema News from Nowhere. Deze titel is ontleend aan een boek van socialist en kunstenaar William Morris uit 1890, dat vertelt over een protagonist die in slaap valt en ontwaakt in een socialis­tische utopie. In het verhaal worden de denkbeelden van Morris gekoppeld aan een romantisch propagandistisch sciencefictionverhaal. De strategie om een politieke visie verhalend over te brengen vanuit een subjectief stand­punt, is de gemeenschappelijke deler van deze tentoon­stelling. Althans, zo beweert de begeleidende introductie. 

Bij het bekijken van de werken wordt de bezoeker niet getroffen door een sterke politieke visie, ook zijn er geen pogingen ondernomen om de kijker te overtuigen van de waarheid van de kunstenaar. De kunstenaars zijn duidelijk allemaal bezig met een onderzoek, een zoek­tocht naar de betekenis van… Ja, van wat eigenlijk? Er heerst een sfeer van berusting in of het erkennen van de ontoereikendheid van de eigen subjectieve kijk op de wereld. Echte waarheden worden niet gevonden, ze bestaan misschien niet eens. De kunstenaars beschouwen de wereld vanuit hun eigen geïsoleerde bestaan en kun­nen weinig anders concluderen dan dat betekenis relatief is. Patronen kunnen op de werkelijkheid worden geplakt, maar dit blijft een arbitraire oefening van het individu. Elke kunstenaar uit deze relativerende zienswijze op zijn eigen manier.  

In zijn Detachment Series (2013) illustreert Javier Lloret de afstandelijkheid van het individu ten opzichte van het dagelijkse bestaan bijna letterlijk. In drie korte films zijn de hoofdrolspelers mechanisch opererende mensen die een zinloze, repetitieve taak uitvoeren in een generieke omgeving. Een taak waarbij dagelijkse objecten zoals een rode kool, ijsblokjes of stukken zwart papier worden vernietigd. Stoïcijns kijken controleurs toe hoe door deze sisyfusarbeid de entropie overwint wederom in een koud en onverschillig universum. De beelden worden uitgekiend en prachtig vormgegeven.

Ook het op fotografie gebaseerde werk van Lucian Wester toont een soortgelijke voorliefde voor een esthetisch gedreven onderzoek, zij het wat minder neerslachtig. De speelse experimenten met lenzen, fototoestellen en kleurscha­keringen zijn mooi om te zien, maar lijken nog steeds ontsnapt uit een zinloos laboratorium. Lloret en Wester komen daarmee tot dezelfde conclusie als de beroemde dichter John Keats: alleen de schoonheid staat tussen ons en het betekenisloze nergens. 

Een vlucht in een schijnwetenschap is ook een manier om de confrontatie met het nergens aan te gaan. Jonas Lund probeert in zijn werk The Top 100 Highest Ranked Curators in The World (2013) een wereld in kaart te brengen die voor kunstenaars dicht bij huis ligt, namelijk de kunstwereld. Door een algoritme te creëren die een analyse maakt van een database met alle cura­toren, kunstenaars, expositieruimtes, et cetera, heeft hij een top honderd samengesteld van de meest invloedrijke curatoren in de kunstwereld. Nuttig om te weten wie je bestaan als kunstenaar kan maken of kraken. Het is een semiwetenschappelijk onderzoek naar een patroon waarmee je de werkelijkheid overzichtelijk ordent. Het patroon, het algoritme, met in dit geval specifiek de curator als verpersoonlijking, dient als een seculier icoon voor afgodverering. Moge de curator zich over de kunstenaar ontfermen. 

Een meer persoonlijke reactie op de gewaarwor­ding van de onvermijdelijke relativiteit van het subject wordt getoond in het werk van Demet Adigüzel. Zij maakte de film The Book (2013), waarin ze op ontdek­kingsreis gaat naar haar herkomst. Een obsessie met je eigen geschiedenis is ook een manier om een verhaalte construeren dat misschien weerstand kan bieden tegen de afwezigheid van een hoger doel. De epiloog van haar film vat dit goed samen, in de ondertitelde soundtrack wordt het eigen ik als oorsprong van alle mogelijk ­heden bezongen. 

Waar William Morris in zijn boek News from Nowhere het nergens uit de titel nog zag als een onbe­reikbare utopie, is het Nowhere in het thema van deze tentoonstelling meer verbonden met het niets en het nergens waar we ons nu allemaal in bevinden. In beide Nowheres wordt er nog wel gestreefd naar het geluk van het individu. De literaire variant probeert dit te vinden door het geloof in een politieke of maatschappelijke utopie. Het individu in deze tentoonstelling probeert het geluk te vinden, ondanks zijn realisatie dat het allemaal een illusie is; de zoektocht zelf is het enige vernieuwende dat uit dit nergens volgt. Deze zoektocht is echter wel de moeite van het aanschouwen waard. 

De expositie van de afdeling Fine Arts, samen­gesteld door curator Arnisa Zeqo, heeft een eigen thema: Nothing Could Be Slow Enough, Nothing Lasts Too Long. Het thema is ontleend aan het boek Mrs. Dalloway van Virginia Woolf. De subjectiviteit van de gewaar­wording wordt ook in dit deel van de Graduation Show doorgevoerd. Hier worstelt het individu niet met de confrontatie met het nergens, maar wordt de relativiteit van tijd gebruikt om de subjectiviteit te tonen. De Fine Art­studenten zijn zich maar al te bewust van de tijde­lijkheid van hun situatie. Veilig verstopt in de ateliers van het Piet Zwart Institute hebben ze twee jaar lang ‘eindeloos’ kunnen experimenteren in aanwezigheid van gelijkgestemden. Het naderende einde van de opleiding hing echter voortdurend als een zwaard van Damocles boven hun hoofd. 

Waar de werken van de Media Arts and Commu­nication­studenten zich eenduidig leken te schikken in hun lot, zijn de kunstwerken van de Fine Arts­studenten opstandig; een rebellie tegen de terugkeer naar de alle­daagse werkelijkheid. Vrijwel alle werken zijn uitgebrei­de multimediale installaties. Tekeningen, sculpturen, film en geluid tuimelen over elkaar om stelling te nemen tegen alles wat maar op het pad van de makers komt. Joakim Hällstöm ageert tegen zijn gevallen idolen, Olivia Dunbar schreeuwt veelkleurig tegen gelikte popcultuur, Kym Ward voert een pleidooi tegen de bureaucultuur door het heftig erotiseren van deadlines en Kevin Gallagher implodeert in een koddig, met honing over­ laden universum, dat je alleen met sokken aan mag betreden.

De paniek van de studenten bij hun herintrede in de maatschappij en het afscheid nemen van de afge­zonderde betekenisvolle microkosmos slaat je om de oren. Het meest prangende voorbeeld hiervan is het werk Laya Papaya’s Public Bathhouse (2013) van Jasper Griepink, die hiervoor de Fine Arts Jury Promotieprijs van het Piet Zwart Institute won. Griepink treedt tijdens deze performance op als sjamaan en behandelt de deelnemers op ritualistische wijze met modder en planten om ze bewust te laten worden van hun lichaam en de differentiatie met de lichamen van de toeschou­wer. Het individu wordt weer betekenisvol in zijn pure lichamelijkheid. De overgebleven rommel na afloop van de performance is gedurende de rest van de expositie de stille getuige dat hier ooit betekenis was. 

In de tentoonstelling van de Fine Art­studenten wordt de tijd om een keuze te maken met alle macht ontkend. De explosie van expressie werkt de kijker op den duur zelfs op de zenuwen. Het gebrek aan een visie of een hoger plan, of zelfs simpelweg acceptatie, wordt wrang duidelijk. De reactie gaat niet over in een actie en daarmee lossen de uitingen van de kunstenaars als een diffuse revolutie in het niets op. Het kabaal glijdt uiteindelijk van de toeschouwer af. De werken gaan net niet ver genoeg om de toeschouwer te ontregelen en ze bieden ook te weinig diepgang of originaliteit om de bezoeker tot nieuwe inzichten te verleiden. Het blijft allemaal bij een oefening signalen uit te zenden vanuit een tijdelijke veilige wereld, die weinig aansluiting vindt bij de dagelijkse werkelijkheid.  

Maar misschien is dit ook de opzet van de ten­toonstelling. Mrs. Dalloway uit het gelijknamige boek van Woolf is tenslotte de hele beschreven dag bezig met wissewasjes ter voorbereiding van een matig ge­slaagd feestje. Haar doel om mensen samen te brengen en gelukkige momenten te creëren en vast te houden is gedoemd te mislukken. Ze ziet in dat alleen door middel van zelfmoord van een ander personage – een drastische keuze voor het subjectief opheffen van de tijd – de gelukkige momenten onaangetast blijven. Zolang de tijd voortglijdt is geluk en betekenis van het individu gedoemd om bedolven te worden onder een niet te bevatten berg ervaringen. De rebellie hiertegen van de studenten Fine Arts is ineffectief en oppervlakkig, maar daarmee misschien een mooie paradoxale representatie van hetgeen waar tegen ze rebelleren.  

De combinatie van de twee tentoonstellingen werkt wonderwel. De zoektocht in het nergens contras­teert mooi met het oppervlakkige kabaal dat zich afzet tegen het verglijden van de tijd. Hoewel de individuele werken van de Fine Art­studenten net de impact missen die de Media Design and Communication­werken wel weten te bewerkstelligen, is dit ‘falen’ juist een goede illustratie van de onmacht van het subject. Uiteindelijk zijn beide exposities even relevant voor de wereld, name­lijk geheel niet. Het is om het even of je dat prima vindt of dat je dat weigert te accepteren.  

Alleen de subjectieve ervaring van de kunstenaar en de toeschouwer is van belang en daar moet niet teveel over worden uitgeweid. In plaats van te interpreteren, kan de kijker beter plaatsnemen bij de installatie Garagedoors and Birdhides (2012-­2013) van Astrid van Nimwegen, en starend in het niets het geluid van vogels en garagedeuren ondergaan. In aansluiting op Vonneguts boek isde enige gepaste afsluiting dan bedrieglijk simpel: Poo­tee­weet? Klang!

Jasper Griepink, LAYA PAPAYA'S PUBLIC BATHHOUSE, 2013
Anna Marie Łuczak, IMAGINE PREFERENCE, 2013
James Whittingham, UNTITLED, 2013
Lucian Wester, CAMERA PROJECTIE, 2013 Foto's: Janssen-Adriaans