De vele experimentjes van beeldend kunstenaars die iets met film willen, worden om onverklaarbare redenen gekoesterd door mistige kunstcuratoren. In de jaren negentig tekent de onmacht van kunstenaars om een tijdloos beeld te scheppen zich af in hun interesse voor video en film. Met name het gebruik van film berust op een vergissing: het doet denken aan verstokte journalisten die een roman willen schrijven of kunstenaars die museumdirecteur willen worden. Een film maken op 16 of 35mm is een vak, zoals een goede bakker het verschil weet tussen knijpen en kneden. De definiëring van een goede film omvat een aantal criteria, zoals montage en camerastandpunten, een verhaallijn en acteurs. Met de opmars van de digitale videocamera kunnen deze criteria nog steeds gehanteerd worden. Films als Autumn Moon, Naar de Klote, Zusje en Festen versterken de vitaliteit van film door de digitale revolutie te implementeren in de klassieke 35mm bioscoopfilm.

Tijdens het Rotterdams filmfestival van 1999 werden mijn vooroordelen teniet gedaan door twee korte films van ieder ongeveer een kwartier. Bij de ene film op zaterdagavond zat een man of twaalf in de zaal, bij de andere op zondagmiddag liep ongeveer 80% van de bezoekers de zaal uit zodat ook hier geëindigd werd met het magische aantal van twaalf geïnteresseerden. De film van Joost Rekveld was abstract en had iets weg van een computeranimatie. De film toonde een telkens verschuivend moiré waarin monochrome kleuren steeds veranderden. Het verschuiven van het moiré werd begeleid door een laag, indringend gebrom. Na, na enkele minuten gewend te zijn geraakt aan een abstract filmbeeld, verandert ook de wijze van ontvangst in het hoofd. Je verwacht geen lineaire ontwikkeling meer maar raakt enigszins verdoofd door het enorm grote doek waarin in perfecte kwaliteit een soort screensaver voorbij komt. In de 35mm film van de Franse kunstenaar Sarkis hoorde je helemaal niets. Alleen beeld, zestien sequenties van ieder enkele minuten. Iedere sequentie had iets weg van een toneelstukje met de handen van Sarkis in de hoofdrol, en met kleur en vorm als tekst. Het beeld begon enkele keren met een beeldvullend kommetje met water, van boven af gefilmd. Vervolgens voerden twee handen enkele zwierige handelingen uit vlak boven of in het kommetje water. Een druppelende kroontjespen, beurtelings groen of rood kleurt het water mysterieuzer dan de schilderijen van Monet. Het ritme van sequentie na sequentie zorgt voor een enorme spanning die echter nauwelijks tot ontlading komt, ook niet met de grote trom op het eind De beelden hebben zich gehecht aan het netvlies, het rood en groen in het water blijft zich met elkaar vermengen, de intensiteit van het filmdoek, van het grote formaat, en vooral van de dwingende vorm van het kommetje water zijn kwaliteiten die de onontkoombaar zijn. In zowel de film van Sarkis als die van Joost Rekveld wordt voorbijgegaan aan klassieke filmelementen, zoals een begin, een eind, een scenario, acteren, camerastandpunten, montage, etc. etc. Toch zijn het geen gratuite experimentjes, maar overtuigende verleggingen van de grenzen van film en wel zodanig dat film een volwassen medium wordt van beeldende kunst in de jaren negentig.

Emmanuelle Antille

—Hans den Hartog Jager

De ware voyeur krijgt zijn beelden liever niet cadeau. Het liefst ziet hij zijn object van begeerte door een sleutelgat of een scheur in de luxaflex, zodat die zich in een ander universum lijkt te bevinden dan hij – dat schept afstand en legitimeert het turen. De Zwitserse kunstenares Emmanuelle Antille (1972) lijkt er vanuit te gaan dat in iedere kunstkijker ook zo’n voyeur schuilt. De meeste video’s die ze bij galerie Akinci in Amsterdam laat zien, proberen de suggestie te wekken dat ze stiekem zijn gefilmd. Het beste voorbeeld daarvan zijn de drie ‘bewakingsmonitoren’ die meteen na de ingang van de galerie aan de muur hangen. De beelden daarop zijn grijs en wazig en tonen wisselende doorkijkjes in een verlaten villa – de woonkamer, het balkon, de eetkamer, de gang.

Af en toe flitst daar plotseling een haarscherp beeld tussendoor van een instrument van verleiding – een paar roodgelakte nagels, een oranje sjaal die een arm vastbindt of een gesp die wordt aangetrokken, alsof je als toeschouwer even een blik mag werpen op de gebeurtenissen die zich achter het oog van de camera afspelen. En daardoor blijf je kijken, hoe banaal het trucje ook is, al is het maar omdat de beelden zo snel voorbij trekken dat je telkens niet zeker weet of je ze wel goed gezien hebt. Het werk is een onderdeel van Antille’s installatie Reflecting Home, die in totaal uit vijf video’s bestaat. Twee daarvan spelen zich af in het huis waar de ‘monitoren’ hangen. Op de ene zien we, schijnbaar in de schemering gefilmd, een meisje zachtjes op een tafel dansen, op de ander zien we haar, gekleed in een fel-rode jurk reiken naar een tak van de boom die naast het balkon staat. Diezelfde combinatie van rood en groen komt terug in een video waarop een hand felrode aalbessen tussen een aantal graspollen neerlegt en weer weghaalt. Ook hier weer vage sensuele associaties: de glanzende rode bessen worden zachtjes gemasseerd, de vingers glanzen en de toeschouwer mag zijn eigen conclusies trekken. Dat is ook meteen het bezwaar tegen het werk van Antille. Ze maakt aansprekende beelden, ze lokt de toeschouwer met gemak haar universum in, maar als die voor haar gevallen is merkt hij dat haar repertoire niet veel verder reikt dan vernuftige verleidingstechnieken – wat je mist is wat reflectie op die verleiding, wat afstand. Niet voor niets is de video waarnaar je het langste blijft kijken net een reclamespot, daarin heeft de verleiding tenminste een doel. Het beeld is gevuld met een paar roodgeverfde lippen waarachter nog net twee witte boventanden zijn te zien. Uit de mond golft rook, alsof de vrouw buiten beeld een stevige haal van een sigaret heeft genomen – maar het houdt niet meer op. De rook blijft naar buiten dampen, wordt zachtjes weer naar binnen gezogen en weer naar buiten, in telkens andere kringels en golven en structuren. En langzaam veranderen in gedachten die rode lippen in de mond van een schoorsteen, een roodgeverfde uitlaatpijp. Hoe was die slogan ook alweer – roken moet mogen?

REFLECTING HOME, Emmanuelle Antille, t/m 17 april

Galerie Akinci, Lijnbaansgracht 317, Amsterdam

Geurige handen

—Max Willems

Het buurtje heet ‘Het Spiegelkwartier'. Op de vroege zondagmiddag wordt het gefrequenteerd door het deel van de natie dat het materieel goed getroffen lijkt te hebben. Zo op het oog afkomstig uit Het Gooi, Aerdenhout en omgeving, en ook nog wat buitenlandse toeristen die hun best doen om in zo kort mogelijke tijd zo vaak mogelijk net niet de fietsende grachtengordelbewoners te worden overreden.

Het heet hier de Nieuwe Spiegelstraat. En inderdaad: weinig echt ouds. Een galerij met een enkele souvenirshop, een kapper, wat geupgrade Waterloopleinuitbaters en een galerie die ‘Lieve Hemel' heet, maar die na een blik op de uitbundig uitgestelde handel van Livio de Marchi ook heel goed ‘Mijn God!' had kunnen heten. Aan de overzijde twee grijze deuren, ingeklemd naast een designshop en een op dit tijdstip gesloten restaurant dat ‘Pasta e Basta' heet. De grijze deuren geven toegang tot De Appel, zo valt te lezen op een bordje ernaast. En gelukkig wordt het in een klein lettertje op het glas al snel duidelijk dat het hier gaat om een ‘Centrum voor hedendaagse kunst'. Naar binnen dus.

Achter in de merkwaardige hal, een soort vide, een soort portiersloge. Veilig opgeborgen achter glas zitten twee vriendelijke kids van het type bijklussende eerstejaars kunstgeschiedenis. Ze zijn uitbundig in de weer met thermoskannen, thee. Er staat ook een fles melk. Na overlegging van twee gulden en vijftig cent, ontvangt de bezoeker van De Appel een kaartje en een stralende glimlach. Gewezen wordt op een informatievel op de balie: "Persbericht" staat er boven. Dat treft. Want ik ben een beetje van de pers vandaag.

Achter het hokje bevinden zich een kapstok en een aantal kluisjes. De jas kan worden veiliggesteld door middel van een ingenieuze, met een sleuteltje beveiligde tepelklem. De kluisjes zitten allemaal hermetisch op slot.

Terug naar de vide en vandaar linksaf de trap op. Links en rechts ruimten met installaties die verstoord worden door de aanwezigheid van een enkele bezoeker. Ze dralen wat, sommige kijken naar een videoscherm. Ernstige gezichten. Maar het ‘persbericht' meldt niet voor niets dat de gastconservator van dienst een "gelegenheid om vragen ter discussie te stellen" heeft willen creëren. En bij zoiets passen natuurlijk ernstige gezichten.

Het mooie van De Appel is, los van de kunst die er te zien is, de menselijk maat. Ernstige kunst in een vriendelijke verpakking. Hier slaat de beruchte museummoeheid niet toe na de vierde of de vierentwintigste zaal, hier geen klossende, piepende of in portofonen reutelende bewakers. Hier past de kunst op zichzelf. In een goed onderhouden, verzorgde omgeving.

Het kijken is hier core-business. Want aan flauwekul doet De Appel niet. Er is geen boekwinkel, geen restaurant. De kids achter het glas hebben wel stapeltjes catalogi in de verkoop, maar uit niets blijkt dat Appel of kids het fijn vinden als je er eentje zou kopen. Ook blijkt er een doorgang te zijn naar ‘Pasta e Basta' maar die is voorzien van een onneembaar stalen rolhek. Behalve rustig naar kunst kijken, kun je in De Appel eigenlijk alleen maar een plas doen en rustig je handen wassen. In een prettig ruikende WC. Zonder graffitti (!), maar met een ruime voorraad WC-papier, handdoekjes van hetzelfde materiaal en een goed gevulde pompflacon Nivea Bath Care zeep.

Met geurige handen sta ik weer buiten. Het lukt niet om nog een laatste glimlach van achter het glas los te peuteren. Niettemin tevreden wandel ik de Keizersgracht af om bij Walem een broodje te gaan eten. Daarna misschien nog een boekwinkel.

Aantrekkelijkheid gebouw ****
Onthaal, onvangst kassa ****
Garderobe **
Houding overig personeel n.v.t.
Informatiemateriaal (infobladen) **
Bijschriften **
Zaalteksten *
Restaurant n.v.t.
Boekwinkel n.v.t.
Toiletten *****
Onderhoud algemeen (schoon/vuil) ****
Bereikbaarheid ****

Kleurgeweld

—Maartje Berendsen

Hoewel Fransje Killaars al een groot aantal exposities in binnen- en buitenland achter de rug heeft is het de eerste keer dat haar werk in Rotterdam te zien is. In de expositieruimte van Ron Mandos zijn haar stoffen sculpturen bijzonder op hun plaats. De dubbele kamer met schuifdeuren op de eerste verdieping is met behulp van vloerkleden en wanddoeken getransformeerd in zestig vierkante meter kleur. Voor de deur staat een mand met slofjes om over je schoenen aan te doen, maar ik kan iedereen aanraden om schoenen èn sokken uit te trekken en op blote voeten naar binnen te gaan. Want alleen dan worden je zintuigen tot het uiterste geprikkeld; een kleurexplosie voor je ogen en een relièf onder je voeten voor de tastzin.

De kleden, die Fransje Killaars in India laat maken, veranderen de ruimte in wat ik mij voorstel bij het interieur van een nomadentent of een paleis uit de sprookjes van Duizend-en-èèn-nacht. Niet alleen de hele vloer is bedekt met geblokte, elkaar overlappende kleden van verschillende formaten, ook de wanden van de achterkamer hangen vol met stukken geweven textiel waaruit draden komen die tot op de vloer in kleuren naar beneden stromen.

Vaak bestaan de kleden uit twee complementaire kleuren die gecombineerd worden in blokken. De kleuren binnen het kleed wijken en komen op je af, afwisselend, en vormen met de kleden eromheen een kakafonie van kleur. Na de eerste onderdompeling maakt de opwinding plaats voor rust. Als de geluiden van de straat niet doordrongen, zou je vergeten dat je in een stad was. Eenmaal gewend aan het visuele, voor ons ongewone ‘geweld' van de kleuren valt op met welk een zorg de kleurencombinaties zijn samengesteld. Misschien is het het gebrek aan kleur in onze Nederlandse, vaak grijze en natte leefomgeving die maakt dat het geheel zo overdonderend is. In de voorkamer zijn de wanden onbedekt. Een groot liggend matras met een geblokte lap op de grond, met een hemel van gekleurde draden, en een achterwand bedekt met andere kleuren nodigt uit om er bij te gaan liggen, om alles op je in te laten werken. Zelfs met je ogen dicht lijk je de warmte van de kleuren te voelen.

In een kleine aangrenzende zijkamer ligt een stapel opgerolde kleden. Ik had enorme zin ze een voor een te ontrollen om te kijken wat voor verrassingen daar nog verborgen konden zijn. In een prachtig uitgevoerd boek met de titel ‘Full color' staan foto's van het werk van Fransje Killaars, het maakproces en de presentatie van het werk op tentoonstellingen. De kleden en het boek zijn gelukkig te koop.

Killaars, Dum office, Richard en Youri Menken en Annemiek Baars, t/m 27 februari

Galerie Ron Mandos, Roderijselaan 24, Rotterdam

Afgevallen maskers

—Martijn Verhoeven

Vroeg of laat, iedereen komt ooit tot de ontdekking dat hij zichzelf niet echt kan zien. De spiegel lijkt betrouwbaar, maar draait alles om: je linkerarm wordt je rechterarm, enzovoorts. Die ontdekking kan voor een beklemmend gevoel zorgen: wat ziet een ander aan jou dat je zelf nooit hebt gezien? Wie vertrouwd is met de leugen van de spiegel kiest voor een veilige koers. Hij of zij toont voortaan een neutrale blik, een minzame lach, een houding zonder risico. Toch kan geen mens die neutrale blik de hele dag volhouden. Een plek waar de neutrale blik en de zelfbewuste houding voor even worden vergeten is de openbare ruimte van de grote stad. Het lijkt alsof op straat, in de nabijheid van honderden andere mensen, even de noodzaak vervalt om het masker op te houden. De afwezigheid van een bewuste houding en de daarvoor in de plaats gekomen openheid in gezichtsuitdrukking zijn zaken die de Zwitserse fotograaf Beat Streuli tot onderwerp van zijn werk heeft gemaakt. Zijn foto's tonen jonge, gezonde en knap uitziende personen die hun toekomst met zelfvertrouwen tegemoetzien. De jongeren kijken, zich niet bewust van de camera, zonder bijzondere expressie en met onbestemde, open blik voor zich uit. Streuli heeft gefotografeerd wat hij zag: de gekozen uitsnede, de weergave van middel tot hoofd, lijkt op de wijze waarop mensen in een drukke straat elkaar in het voorbijgaan bekijken. De foto's zijn zelfs zo onopdringerig en terughoudend dat je even vergeet dat hij een camera bij zich heeft gehad. Het onopvallende gedrag van de personen maakt het voor de toeschouwer daarbij eenvoudig om zich met de beelden te vereenzelvigen.

Streuli fotografeert meestal met een kleinbeeldcamera, die hem in de gelegenheid stelt om ongestoord in de mensenmassa te verdwijnen. Om niet het gevaar te lopen dat de gefotografeerde hem opmerkt en zijn masker weer opzet, gebruikt hij bovendien een sterke telelens. En omdat de telelens veel licht nodig heeft werkt hij alleen op heldere dagen. De helderheid van de afbeelding en het zonnige licht die zodoende de foto's bepalen, versterken nog eens de optimistische en prettige uitstraling van de jonge personen. Streuli fotografeerde beide personen van zeer dichtbij, beeldvullend, waarbij een groot deel van de stedelijke omgeving is verdwenen. Of de beelden zich nu afspelen in Rotterdam, New York of Berlijn is niet meer zichtbaar en doet eigenlijk ook niet meer ter zake.

De foto's van Streuli zijn weinig spectaculair. Nergens zien we een moment of een handeling die bijzonder de aandacht trekt. De fotograaf vertelt op het eerste gezicht maar weinig over de afgebeelde personen. Dat klinkt misschien saai, maar juist de onbekendheid met de personen maakt het werk spannend om naar te kijken. Alleen datgene wat zich aan de oppervlakte van de personen aftekent is zichtbaar: de nonverbale communicatie, die zich manifesteert in houding, mimiek, kleding en haardracht en die iets zegt over de manier waarop de jongeren in de wereld staan. Meer nog dan in Streuli's foto's is dat zichtbaar in zijn videowerk. De video ‘Portraits Tarragona 96/1' (1996), die te zien is in Galerie Van Gelder, is daarvan een geslaagd voorbeeld. Hier observeert de videocamera vier tieners. Op een landerige zomermiddag kletsen ze met vrienden en wanen zich onbespied. Het geluid staat net te zacht om de gesprekken te kunnen volgen. Vooral de opname van een jong stelletje is fascinerend. De jongen, en profil in beeld, kijkt strak voor zich uit en antwoordt slechts af en toe kort en krachtig het meisje (zijn meisje?) dat de meeste tijd aan het woord is. Zij kwebbelt en lacht, kijkt vragend, fronst haar wenkbrauwen en probeert bij hem in de smaak te vallen. Maar de jongen geeft geen krimp. Hoe langer je blijft kijken – en je blijft kijken, want je wilt tegen beter weten in toch weten hoe het afloopt – hoe meer inzicht je krijgt in de machtsverhoudingen binnen hun relatie: het meisje mag dan het meest aan het woord zijn, de jongen heeft de broek aan. En beide maskers zijn gevallen.

De video PORTRAITS TARRAGONA 96/1 maakt deel uit van de tentoonstelling LOOK ME IN THE EYES (met werk van Marijke van Warmerdam, Sigurdur Gudmundsson e.a.), tot 15 februari

Galerie van Gelder, Planciusstraat 9a, Amsterdam

Terzijde

—Ranti Tjan

Frans Haks mag zichzelf graag horen.

Zijn prikkelende uitspraken zijn altijd een amalgama van provocatie, valsenichterigheid en overtuiging. Na zijn gedwongen vertrek uit Groningen heeft de wraakzucht zich aan dat rijtje toegevoegd. Welk aspect wanneer overheerst hangt af van zijn publiek. Bij een volle bak regeert de ijdelheid, alleen in kleine kring wint soms de overtuiging.

Na een dag vol zelf gecreëerde ellende wil ik nog wel eens onderuit zakken om naar door anderen geregisseerde ellende te kijken. Een praatprogramma voldoet het best aan die behoefte. Zo keek ik een tijdje geleden laat op de avond naar die mevrouw met die opmerkelijke knieën-fetisj. Remy van der Elzen. Ellende op zijn mooist, want op zijn smalst. Ze moet en ze zal de snik uit haar gast naar boven halen. Voor iedereen zijn de jaren zestig voorbij, bij haar leeft de sociale-academie-plakkerigheid nog voort.

Bij Frans Haks moest ze het zonder die snik stellen. Hij had het interview volledig onder controle. Over bepaalde pijnlijke onderwerpen wilde hij niet praten. De woorden fraude en misbruik waren taboe. Hij had er geen zin in om naar aanleiding van televisiefragmenten tot een gespreksonderwerp te komen. Dat gebeurde dan ook niet. Een zelfgemaakt videootje tonen? Tot zulke domme bezigheden verlaagde hij zich niet. Een interview is best, graag zelfs, maar dan wel onder zijn voorwaarden. Hij kon daarom vrijelijk al zijn stokpaardjes berijden. Weer die verhalen die al in alle kranten hebben gestaan en die hij in zijn venijnig van-zich-afschrijf-boekje nog eens tot op het bot had uitgebeend. Niet zonder humor, maar toch.

Op een gegeven moment wist Van der Elzen hem toch tot een verrassende uitspraak te verleiden. In de kunst, oreerde de parmantige exmuseumdirecteur, gebeurt niets meer. Nieuwe culturele ontwikkelingen zag je tegenwoordig alleen nog maar in de mode en in de wereld van het design. Het was veel interessanter tijdschriften in te kijken, dan naar een tentoonstelling te gaan.

Overmand door vermoeidheid ontging me even de onzinnigheid van deze uitspraak. Hoe vaak was ik niet teleurgesteld een galerie uitgelopen? Hoe vaak voelde ik me niet bekocht in een museum? Hoe vaak had ik me niet in het weekend thuis opgesloten met een stapel tijdschriften alsof er geen fantastische openingen waren die naar mijn aanwezigheid hunkerden? Dit moment van verstandsverbijstering duurde gelukkig niet lang. Natuurlijk is het onzin wat Haks zei. Mode en design nemen deel aan die ratrace van trends en gecreÎerde behoeftes. Ze moeten zich wel ontwikkelen, anders gaan ze financieel ten onder. Dat mag een stimulerend effect hebben op de makers, maar dat effect duurt net zo lang als de wispelturige klant dat toestaat. De ontwikkeling waar Haks op doelt is de ontwikkeling van een topsporter. Na één, hooguit twee jaar is hij zijn record kwijt. Zelfs Carl Lewis had niet het eeuwige leven.

Maar is er dan geen sprake van kwakkelende kunst? Zeker, maar dat komt juist door al die grote en kleine Haksen. Die hebben de kunst in diezelfde ratrace getrokken. Die hebben de tijd voor bezinning en het ontwikkelen van nieuwe ideeën ingewisseld voor vluchtige momenten van roem. Die zorgen ervoor dat jonge kunstenaars als een gek achter hypes aanhollen en daarmee zichzelf onvermijdelijk veroordelen tot de armoedige status van de gehandicapte kloon. Die maken dat ik naar het zoveelste Marlene Dumas-aftreksel moet kijken en dat ik genoegen moet nemen met de honderzesentwintigste Nan Goldin-imitatie. Het zijn de Haksen die jong verwarren met kwaliteit en nieuw met origineel. Diezelfde Haksen dwingen talentvolle kunstenaars hetzelfde kunstje vlug en vaak te herhalen, omdat de markt daar om vraagt. Dat ze daardoor vroegtijdig opbranden doet niet ter zake, er staat toch al weer een nieuwe ‘ontwikkeling' in de startblokken.

Tussen sokkel en sukkel

—Wapke Feenstra

De Japanse kunstenaar Tazro Niscino maakt huiskamers rondom stadsbeelden, dat alles in de stijl van het land en de plaats waar het beeld staat. Zo kunnen de bewoners van een stad opnieuw kennis maken met hun sculptuur. Sinds hij in Europa woont is hij gefascineerd door de gebeeldhouwde mensen op sokkels op pleinen en straathoeken. Komende zomer zal hij een ingreep doen op het marktplein in Dordrecht. Wacht maar af. Er komt bij hem altijd een relatie tot stand met de afgebeelde held. Voor zover dat gaat, want doorgaans zijn die helden dood, dat zal u ook bekend zijn. Een sculptuur die u aan een held of een god herinnert is oud en verleden tijd. Wij leven nu in een democratie en hebben mediahelden, die willen we niet in brons gieten, die moeten kunnen vervliegen op het beeldscherm. Wij deden nog pogingen met verzuiling, verheffing, formele spelletjes met de sokkel, of juist geen sokkel en leuke toegankelijke dingen waar je op kunt klimmen of onschuldige beesten waar van alles op geprojecteerd mag worden, ik noem maar een greep uit de sculpturen die er in de loop van de tijd in de openbare ruimte opdoken. Het is wel duidelijk dat er naarstig gezocht wordt naar meer in de tijd passende buitenbeelden. Een goed voorbeeld van een mislukt beeld staat bij Rotterdam Zuidplein tegenover de Albert Heijn waar ik dagelijks boodschappen doe. Ik heb getwijfeld of ik zou reageren door middel van een geschreven artikel. Ik hou er niet van om het over zaken te hebben waar ik niet achter sta, maar in dit geval dringt dit beeld zich zo op in mijn dagelijks leven dat ik terug wil praten. Het gaat over de man en de vrouw op twee betegelde zuilen, zij lopen ferm richting winkelcentrum of richting snelweg, je ziet zo dat hun wegen zich ooit ergens zouden gaan kruisen als ze niet van keramiek waren geweest. De blanke vrouw is fermer dan de blanke man, hij is iets sukkeliger en beide staan ze enkele meters van de grond waardoor ze onbereikbaar zijn voor het winkelende publiek. Ze komen uit de Millinxbuurt, achterliggende wijk, tenminste als je de looprichting natrekt. Daar ontstaat dan gelijk het conflict, buiten dat ik de beelden niet mooi vind, – maar daar kan ik nog mee leven als ze een bepaalde uitstraling hebben die de omgeving tot zijn recht laat komenis het een totaal misplaatst beeld voor de dagelijkse passant. In de omliggende wijken waar ik ook al zeven jaar op verschillende plaatsen woon, wonen veel mensen die niet wit zijn. Als ik dagelijks even naar het beeld kijk dat daar op de sokkel staat en ik kijk naar de mensen die er dagelijks langs lopen dan zie ik geen enkel verband. Waarom zou je op zo'n punt in de stad Rotterdam twee witte anonieme mensen op een sokkel neerzetten, die de rug naar de buurt keren? Is dat gewoon een soort esthetiek waar de planners van de beelden in de openbare ruimte van houden? En wordt er alleen naar formele eigenschappen gekeken zoals het leuk variëren op de looprichtingen die in het achterliggende grasveld zijn aangericht? Het is toch geen weloverwogen icoon voor de lokale situatie?

Ik word alweer kwaad nu ik eraan denk. Ik stap dus elke dag met de nodige adrenaline in mijn bloed richting Albert Hein en wil niet weten wat het exact gekost heeft, want elke cent is teveel voor deze belediging van mijn buurt.

Maar ja, wat dan? Wat moeten er dan voor sculpturen gezet worden in de openbare ruimte? Ik zou het niet weten. Het is ook niet mijn terrein, ik richt me op het platte vlak en de mentale ruimte.

Als kunstenaar weet ik dus niet wat de positie van sculptuur zou kunnen zijn in de buurt waar ik woon. Ik denk wel dat bij het zoeken naar een buitenbeeld, het reflecteren op de cultuur van het kunstenaarschap net zo belangrijk is als de reflectie op de cultuur van de inwoners van de wijk. Met vluchtige media en kunstenaars die kiezen voor participatie is waarschijnlijk een betere ingang tot openbare buitenbeelden te vinden.

Videoregistratie, documentaire en fotografie leveren natuurlijk al jaren interessante buurtbeelden op, die vervolgens worden binnen gebracht met tentoonstellingen, vertoningen en uitzendingen. Maar daarmee is de indeling van het plein en de plaats van de sculptuur nog niet opgelost. Die oplossing ligt -denk ik- ergens tussen sokkel en sukkel, vooral als het over de rol van de kunstenaar gaat. Tussen de kunstenaar als genie op een sokkel die na een formele visuele analyse de beelden vanuit het atelier komt leveren en de kunstenaar als sukkel die met zich laat sollen door de buurtbewoners en de opdrachtgevers en daarbij vergeet dat kunst een vak is, ligt immers een scala aan mogelijkheden. Een terrein waar de sculptuur misschien nog onvermoede potentie bezit. Richt u erop!

Er hangt ineens een poster op het raam bij de bakker, "In de Millinxbuurt wonen mensen…" staat erop. Met als ondertitel "portretten van bewoners van de Millinxbuurt door Henk Miedema" wordt een tentoonstelling aangekondigd in de Politiegalerie in de Witte de Withstraat 25 te Rotterdam. Het is maar dat u het weet. Ik wist het al, ik heb tussen die mensen gewoond. Nu woon ik in Bloemhof.

IN DE MILLINXBUURT WONEN MENSEN…, t/m 1 februari

Politiegalerie, Witte de Withstraat 25, Rotterdam

Het beeld van Berry Holslag staat sinds de zomer van 1998 permanent tegenover de Albert Heijn bij winkelcentrum Zuidplein te Rotterdam.

Tazro Niscino zal in het kader van mijn project -b-l-i-k-o-pe- n-e-rin mei/juni 1999 een huiskamer rondom Ary Scheffer bouwen, in het centrum van Dordrecht, in opdracht van het CBK-Dordrecht.

Elly Strik

—Wim van Krimpen

Het werk van Elly Strik gaat over Elly Strik.

Af en toe probeert ze de aandacht af te leiden en maakt ze een korte reis. Maar ver weg is het nooit. Misschien om de de hoek, niet meer zichtbaar maar nog wel voelbaar. Haar indringende blik probeert altijd de aandacht vast te houden. Waterverf maakt de dingen zachter en papier verleent een zekere mildheid. Maar of dat tot ontspanning leidt is de vraag. Mag kunst ontspannend zijn?

Elly Strik kiest duidelijk voor confrontatie, meestal direct en soms onderhuids. Het eerste beeld dat ik ooit zag was een zelfportret in een folder van de academie.

Het werd aanleiding voor een atelierbezoek. Samen met Jean Christophe Ammann, die een tentoonstelling samenstelde voor de KunstRAI in Amsterdam, bezocht ik de kunstenares in Eindhoven. Toen we weer buiten stonden zeiden we tegen elkaar: ‘Ongelooflijk, wat een spanning'. Dat sloeg op het werk en de atmosfeer waarin het werd getoond. Vluchten kan niet meer.

Het werk van Elly Strik is een voortdurende vergelijking met de werkelijkheid. Is het mogelijk daarvan los te komen? Moet de afbeelding met de achterliggende gedachte verhullen of juist verhelderen? Bij Elly Strik staat deze keuze altijd op het spel. Het zoeken naar de definitieve oplossing maakt haar werk intrigerend. De onbereikbaarheid van de idealen verllent haar oevre de spanning en de schoonheid, die de toeschouwer bijblijft.

ELLY STRIK, RECENT WERK, tot 11-4-99

MUHKA, Leuvenstraat, Antwerpen

Hunting and fishing

—Rudy Hodel

Een verademing in deze tijden vol van politiek correct geneuzel en zin-nelijke drooglegging zijn de recente foto's van Paul Kooiker (1964) in Buro Leeuwarden. Ze tonen bijna allemaal naakte meisjes, die zich betrapt weten of gestoord voelen, en die haastig wegvluchten in een zomers bosrijk duinlandschap. Zaken die weinig senstationeel zijn en die absoluut het filmpredikaat ‘alle leeftijden' verdienen, totdat de titel van de serie in zicht komt: ‘Hunting and Fishing'. Wie jaagt op wie in dit werk?

Is het de fotograaf die zijn eigen lusten najaagt of zijn het juist de gefotografeerde Diana's die het grote spel leiden. Ik noem het een spel omdat opvalt dat Kooiker niet echt met scherp schiet. Hij gaat nergens brutaal of agressief te werk. De meeste vrouwen worden met veel tegenlicht op de rug gezien of van opzij en hij hult al zijn modellen in een opzettellijke, door de techniek veroorzaakte vaagheid, die hun mysterie alleen maar vergroot.

De nimfen van Kooiker zijn zeer aanwezig en tegelijkertijd ongrijpbaar. Wie op de tentoonstelling vlak voor de forse inktjetprints staat, ziet slechts een verzameling losse kleurvlekken, die eerst van enige afstand weer een herkenbaar beeld oplevert. En wie zijn waarneming niet vertrouwt, raadpleegt het even voorbeeldig geproduceerde boek, dat door uitgeverij Basalt onder dezelfde titel ‘Hunting and Fishing' is uitgegeven. Hierin staat de gehele serie foto's in hun oorspronkelijke staat.

Paul Kooiker refereert in zijn werk aan talrijke tradities. Het heeft literaire connotaties (variërend van de voorstelling van het paradijs tot de mythische jacht op het andere geslacht), het verwijst naar de film (de filmfoto), het verwijst naar de schilderkunst (van het impresionisme tot de objektiverende ‘blur' van iemand als Gerhard Richter en de voyeuristische interesses van Courbet en Duchamp) en het refereert sterk aan de idealistische tradities van de FKK, de Frei Körper Kultur, een beweging die ook talloze fotografen naar de al dan niet zondige nudistenkampen heeft getrokken.

Het verbazingwekkende en knappe van dit werk is, dat Paul Kooiker, de fotograaf, kan volhouden dat hij gewoon ‘onderzoek doet naar de vorm van het menselijke lichaam en het beeld dat dit oplevert', terwijl de kijker zich genoodzaakt ziet om alle hoeken van de ruimte op te zoeken en de niet onaangename rol van voyeur te spelen. Wie jaagt hier op wie?

HUNTING AND FISHING, Paul Kooiker,tot en met 21 febr

Buro Leeuwarden, Turfmarkt 11, Leeuwarden

Pionieren in Noord

—Roos van Put

In Den Haag zijn kunstenaarsinitiatieven enkele jaren geleden als paddestoelen uit de grond geschoten. Naast de al wat ‘oudere', zoals Luxus, Quarttair en Maldoror, kwamen er nog enkele bij. Resultaat: een bloeiend alternatief kunstleven naast het galeriecircuit. Sommige initiatieven hebben duidelijk een horzelfunctie; door hun artistieke keuzes is de naam op de kunstkaart gezet. Andere programmeren zonder duidelijk beleid en geven louter ruimte aan kunstenaars om zich aan het publiek te tonen. Variërend van traditionele schilderkunst tot meer experimentele kunstvormen wordt een divers aanbod voorgeschoteld. Vaak blijkt het kunstenaarsinitiatief een broedplaats voor (jong) talent te zijn, want ook de galeriehouder ontdekt daar nieuwe mensen. Kenmerkend zijn de afbraakpanden, zonder verwarming, waar meestal de kunstenaar suppoost is.

Ontmoetingsplek. In Rotterdam Noord hebben vier kunstenaars; Karin de Jong, Ewoud van Rijn, Roos Campman en Erik Campman kunstenaarsinitiatief Room opgezet. Karin de Jong: "Wij hebben Room opgezet vanuit de gedachte iets toe te voegen aan het kunstleven in Rotterdam. En het leek ons gewoon heel erg leuk om zoiets te ondernemen". Ewoud van Rijn vult aan: "Wij willen het bewust kleinschalig aanpakken. En informeel. We zien Room als middel om kunstminnenden, kunstenaars, mensen die zich op een andere manier met kunst bezig houden maar ook geïnteresseerden uit andere sectoren van de samenleving, samen te brengen. We willen een ontmoetingsplek zijn en de beste gesprekken hebben plaats in een informele sfeer". Centrale plaats in Room neemt dan ook een tafel in, die pontificaal voor het raam is geplaatst. De tafel is niet al-leen bedoeld om even koffie aan te drinken met de tentoonstellingsbezoeker maar ook is Room van plan maaltijdavonden te organiseren. Karin de Jong: "In de programmering willen we mensen uitnodigen die over hun specialisatie vertellen. Als je dergelijke gastavonden combineert met een maaltijd ontstaan hele leuke en interessante gesprekken die basis kunnen zijn voor nieuwe ideeën". Room bevindt zich in een voormalig winkelpand in Rotterdam Noord, een locatie waar het niet echt bruist van kunstactiviteiten. Op een steenworp afstand bevindt zich de recent geopende galerie Ron Mandos, maar verder ligt het gebied wat kunst betreft nog braak. Ewoud van Rijn: "Dat zien we niet als probleem, eerder als voordeel. Je trekt hier niet de toevallige bezoeker die in de stad is en die ook nog wat kunst meeneemt. Maar ik denk dat het voor Rotterdam wel goed is dat er in andere delen ook wat gebeurt op kunstgebied. Ron Mandos was erg blij met ons initiatief, misschien gaan we in de toekomst wel samen iets organiseren. Want wij denken naast een eigen programma, breed van opzet en gebaseerd op persoonlijke keuzes en voeling met het werk, ook aan uitwisselingsprojecten, dat kan met galeries maar ook met andere initiatieven in het land".

ROOM, Benthuizerstraat 96, Rotterdam

Openingsexpositie met werk van Hugo Renirie t/m 22 feb, meer informatie: 010 4773880/2651859

Koos Breukel ‘Thoughtless Kind’

—Miriam Bestebreurtje

Samen waren ze de ‘bad boys’. Jongens met Rolleyflex camera’s losjes over hun schouder gehangen, ongeschoren, een en al onbestudeerde James Dean-achtigheid en verliefd op de fotografie. Maar de een ging dood en de ander moet doorgaan met leven. Met een tentoonstelling bij Fotogalerie 2 1/2 bij 4 1/2 probeert Koos Breukel zijn herinnering aan de onlangs overleden Eric Hamelink in beelden te ordenen. Breukel was gefascineerd door die mooie kop van Hamelink, de vele portretten die hij van hem maakte tasten zijn gezicht, zijn huid en zijn ogen behoedzaam af. En beide waren zij verliefd op hun gezamenlijke leven. Het blijkt uit het zelfportret van hun beider weerspiegeling in de roestvrijstalen koplamp van een stoere motor, de alles behalve timide Eric Hamelink tussen Aart Klein en Paul Huf gekiekt, de foto van een tongzoen met een vriendinnetje. De bezoeker aan de tentoonstelling wordt deelgenoot gemaakt van hun intimiteit, hun branie en hun plezier in de fotografie. En dan, omdat de tentoonstelling chronologisch geordent is, doemt onvermijdelijk de ziekte van Hamelink op. Breukel heeft het proces ervan gedocumenteerd: een chirurg heeft met stippellijnen op een plexiglazen masker het griezelige pad aangegeven dat het mes op zijn hoofd zal volgen, Hamelink glimlacht zuinig vanuit zijn ziekenhuisbed naar de fotograaf terwijl er letterlijk tientallen buisjes op hem aangesloten zijn. Maar het meest verontrustend zijn de foto’s waaruit de ravage blijkt die de Prednison in het lichaam van Hamelink aanricht. Het lichaam van een jonge mooie man verandert voor onze ogen in dat van een opgeblazen pad. En het ergste is nog dat alleen hij verandert, verder niets. Zijn vriendin, die al in de vroegere foto’s figureerde, blijft even mooi en slank, het stel raakt uit verhouding. Hun gezamenlijke hondje blijft even klein en puppyachtig en ook aan Koos Breukel zelf, wanneer hij in de foto’s voorkomt, zien wij dat zich dit alles in een beangstigend kort tijdsbestek heeft afgespeeld. Breukel blijft dicht bij zijn vriend en blijft hem fotograferen. Op een foto van het inrichten van Hamelinks laatste tentoonstelling zien wij hem, te dik en zwak om nog te lopen, in een rolstoel zitten. De laatste foto van de tentoonstelling laat de hand van Hamelink zien die op zijn buik rust. De opzichtige ring die hij aan zijn pink droeg is afgedaan en heeft een diepe voor achtergelaten. Met deze expositie stort Koos Breukel zijn hart uit en de ongekunstelde manier waarop dit gebeurt laat de kijker zijn verdriet voelen.

Wat deze tentoonstelling onbedoeld ook laat zien is de wijze waarop Breukel door de jaren heen steeds meer zijn eigen stijl in de fotografie ontwikkeld. De aanvankelijk brave portretten voor schoolopdrachten veranderen in krachtige beelden waarin zwart-wit, techniek en detail bewuste keuzes worden. Zijn beelden worden soberder doordat hij de zeggingskracht van een portret niet in de omgeving zoekt, maar juist in de concentratie op de huid, de details, de buitenkant van een gezicht. Moderne discussies omtrent de problematiek van het portret laat hij aan zich voorbij gaan en hij blijft aan zwartwitfotografie vasthouden. De optelsom van de vele verschillende portretten in de expositie bevestigen zijn opvattingen. Met elkaar vertellen de beelden een meeslepend verhaal, en versterken zij elkaar ook onderling. Verschillende formaten afdrukken zijn met push pins op de muur geprikt: niet de vorm telt, maar de zeggingskracht.

Tegelijkertijd heeft Koos Breukel een tentoonstelling bij Galerie Serieuze Zaken waarbij hij de presentatie van zijn beelden geheel anders heeft aangepakt. Hij laat de principes van het ‘beeldverhaal’ los en kiest een aantal portretten die hij tot museale maten uitvergroot. Hier komt elk beeld op zichzelf te staan, moet elk beeld zijn zeggingskracht alleen bewijzen. Onmiddelijk voel je de kracht uit de beelden wegvloeien. De intimiteit waarmee hij zijn onderwerp benadert leent zich niet voor deze pretentieuze aanpak. Wanneer hij een jong meisje in een glitterjurkje ten voeten uit fotografeert, dan is dat niet met de wetenschappelijke blik van Thomas Struth of de onthullende kijk van Rineke Dijkstra, die beiden het best tot hun recht komen op groot formaat. Breukel kijkt eerder verliefd, welwillend of zelfs bezorgd. Deze blik op de mensheid is meer gedient met een intiemere presentatie. Bij Serieuze Zaken toont hij tevens drie portretten van Eric Hamelink. De foto’s tonen hem respectievelijk gezond, na de operatie en tegen het einde van zijn leven. Nu zijn de beelden in keurige lijsten gevat en hangen op de strenge witte muur van deze galerie. Alhoewel de veranderingen in het gezicht van Hamelink nog even dramatisch overkomen, is er van de intense betrokkenheid die er tussen Hamelink en Breukel heeft bestaan niets meer te bespeuren.

KOOS BREUKEL, THOUGHTLESS KIND, FOTOGRAFISCHE FUNDAMENTEN VOOR DE HERINNERING AAN ERIC HAMELINK

Fotogalerie 2 1/2 bij 4 1/2 t/m 30

Zware Zakken/ Luchtig Beladen

—Vinken en Van Kampen

De mens is een zak: een buitenkant waarvan de inhoud zich laat raden. Een zak met gaten waar dingen ingaan en weer uitkomen. Het is een wat eenvoudige definitie, een nogal extreme reductie die weinig recht doet aan alle intellectuele en emotionele processen die zich in de mens voltrekken. Maar je kunt het zo bekijken en dat is wat Serge Onnen doet in de tekeningen die te zien zijn in de Bloom Gallery in Amsterdam.

Het onderwerp dat Onnen hier aansnijdt neigt naar het banale. Maar waar menig ander kunstenaar de toeschouwer om de oren zou slaan met beelden van de in- en uitgangen van het menselijk lichaam is Onnens aanpak subtieler. Hij verwijst naar lichamelijke processen en behoeftes zonder ze expliciet te laten zien. Zijn rode penseeltekeningen hebben een luchtige toon en ze hebben iets persoonlijks – waarschijnlijk juist omdat het tekeningen zijn. In Human Camera (1998) zien we een geknielde figuur, van top tot teen gehuld in een gebloemde hoes. Hij zwaait zijn rechterhand voor een rond gat bij zijn gezicht heen en weer. Ergens bij zijn navel, of misschien wel nog wat lager, is een ander gat waar een cameralens uitsteekt. De linkerhand is de lens aan het scherpstellen.

Op zijn borst staat: ‘Look & Go’, op zij knieën ‘Baise ma Camera’ (frans voor ‘kus mijn camera’). Deze tekening is een goed voorbeeld van de bizarre beelden die het thema Zware Zakken soms oplevert. Een andere tekening, All-inn (1998), laat eenzelfde ingepakte figuur kromgebogen in zichzelf graaien. Uit de opening in zijn hoes haalt hij darmen die op zijn buik woorden vormen: ‘Excesses’ en ‘All You Can Eat’.

Ondanks de enorme zakken waar de figuren van Onnen geheel of gedeeltelijk in gehuld zijn is er heel wat af te lezen over hun innerlijke toestand. Met gebaren, houdingen en teksten geeft hij aan wat er in hen omgaat: honger en lust, verlangen naar een ander en gevoelens van spijt. Ieder mens is een omhulsel van gedachten en chemische processen en wat Onnen eigenlijk doet is dat omhulsel binnenstebuiten draaien. Maar wat jammer is is dat hij weinig vertelt over de context van die gevoelens. Als een mens op een tekening schuil gaat in een hansop met daarin verweven de woorden ‘excusez moi’ en ‘sorry het zal niet meer gebeuren’ dan weet je dat het draait om spijt. De reden voor dit berouw – heeft deze figuur zijn laatste oortje versnoept? – of het verhaal waarmee zijn emotie specifieker en dus ook menselijker zou worden blijft achterwege.

Met het omdraaien van ‘de buitenkant’ kun je wel de binnenkant laten zien, maar dit maakt niet noodzakelijk iets duidelijk over de inhoud. De voering van een jas zegt tenslotte weinig over de persoon die hem draagt. De kracht van deze tentoonstelling, die nog tot 20 februari is te zien, is net als die van de begeleidende publicatie Zware Zakken gelegen in de bizarre beelden en in het feit dat alle tekeningen onmiskenbaar over hetzelfde gaan. Maar juist omdat Onnens werken zo duidelijk een geheel vormen is het ontbreken van een verhaal een gemis. De mens is weliswaar een zak met gaten, maar voedsel en lust zijn niet de enige verlangens die gestild moeten worden.

SERGE ONNEN, 16/1 t/m 20/2 1999

Bloom Gallery, Bloemstraat 150, Amsterdam, T 020 6388810, geopend di t/m za van 13.00 – 18.00 uur en 1e zondag van de maand van 14.00