Onlangs moest ik met mijn zoontje naar het ziekenhuis. Het was een routinebezoekje aan de oogarts, eigenlijk niets bijzonders. Omdat ik wel vaker het Kennemer Gasthuis in Haarlem-Noord bezoek, viel mij bij binnenkomst direct iets op aan de inrichting. Waar het indrukwekkende kunstwerk Hard Copy, Real Time van David Jablonowski normaal gesproken ‘vrij’ in de ruimte staat, waren de banken en een klein leestafeltje schaamteloos tegen de sculptuur aangeschoven. Doordat het werk aan een zijde beknot werd in zijn uitstraling, kreeg het hierdoor de achteloosheid van een pilaar. Even twijfelde ik aan mijn eigen waarneming, maar al snel was ik er zeker van dat dit niet de intentie van de kunstenaar geweest kon zijn.
Voor de meeste mensen zal deze constatering overigens geen enkele schok opleveren. En daar zit nu precies het probleem van de weerbarstige praktijk. Even los van de vele betrokken partijen, vergunningen, inspraakrondes en andere uitdagingen waar de kunstenaars en adviseurs zich bij de realisatie van werk in de openbare ruimte begeven, houdt het circus niet op wanneer het werk eenmaal geplaatst is. Wanneer de kunstenaar en adviseur eenmaal uit beeld zijn verdwenen, is het werk vogelvrij. Natuurlijk worden er - in de meeste gevallen - gedegen contracten aangegaan waarin is opgenomen wie het werk moet onderhouden. Maar wie let op of de artistieke uitgangspunten van het werk overeind blijven? Het werk zelf verandert immers niet, maar de omgeving op den duur wel.
Neem nou de prullenbak. Deze is samen met de bloembak en de fiets een van de grootste vijanden van het kunstwerk in de openbare ruimte. Binnen een gelegenheidscommissie die adviseert over het openbaar kunstbezit in Rotterdam, kwam ik laatst een treffend voorbeeld tegen bij het Lezend meisje van Huib Noorlander. Het is een schattig klein beeldje zoals je er wel meer van kunt tegenkomen in de stad. Weinig vernieuwend, maar wel sympathiek. Het werk staat sinds 1960 bijna onafgebroken aan de Korte Lijnbaan, temidden van het winkelend publiek. Het wordt geflankeerd door een prullenbak die in zijn volume het beeld haast overtreft. Door de grote tegenstelling van zo’n lezend meisje die midden in de drukke winkelstraat stug doorleest, zou je haast denken dat ze de consumptiedrift aan de kaak stelt.
Het punt is dat een schattig beeldje op een sokkel verstoord wordt door de aanwezigheid van een aangrenzende prullenbak van wereldformaat. Net als de zuil van Jablonowski wordt geteisterd door een onnozel IKEA leestafeltje. Iemand die dit probleem heeft weten te tackelen, is Roland Sohier. De Utrechtse kunstenaar die vooral bekend is om zijn humoristische tekeningen van mensfiguren die wezensvreemde proporties aannemen, realiseerde een beeld voor de Dorpsvereniging van Slochteren. Hierbij had hij gekozen voor een stukje perceel met een lullig gemeentebankje en prullenbak. De opdracht was om een monument te realiseren voor de rijke boeren en arme landarbeiders, die de sociale verhoudingen in het gebied tot aan de jaren zestig van de vorige eeuw kenmerkten.
De gemeentebank verving hij door een bronzen beeld van een kruipende man, die een rijke stinkerd op zijn rug draagt. De prullenbak liet hij dragen door een bronzen 'prullenman' die genoodzaakt is om te eten uit de afvalbak. Net zoals de gefortuneerde boer en de armzalige landarbeider tot elkaar veroordeeld zijn, is dit kunstwerk niet compleet zonder de afvalbak. Zo is de weerbarstige praktijk toch nog knap omzeild.
David Jablonowski, HARD COPY, REAL TIME (2010)
David Jablonowski, HARD COPY, REAL TIME (2010)
Huib Noorlander, LEZEND MEISJE (1960)
Huib Noorlander, LEZEND MEISJE (1960)
Roland Sohier, HOEDEN EN PETTEN (2010)

