Nog steeds wordt het genderdebat in de kunsten vaak gevoerd vanuit een scherpe tegenstelling tussen mannen en vrouwen. Het probleem zou zijn dat er te veel mannen de lakens uitdelen, en dat hun leiderschap de ongelijkheid in stand houdt. De heren aan de top zijn de fout, en de dames daaronder de oplossing. Komen we daar ooit uit?

‘Leiderschap is als geld: het heeft geen geslacht’, stelt Frances Hesselbein, ooit CEO van de Amerikaanse Girl Scouts en vandaag een 100-jarige autoriteit in management. Lees: vrouwen aan de top kunnen zich net zo bossy en autoritair gedragen als mannen. Veel cursussen over vrouwelijk leiderschap sturen daar trouwens nog altijd op aan. Ze leren vrouwen om meer mannelijke assertiviteit te ontwikkelen, om extra haar op hun tanden te kweken en zo beter hun mannetje te staan in een mannelijke omgeving. Ze willen vrouwen conformeren, het kwaad verslaan met hetzelfde kwaad. Nochtans is het niet de sekse van de baas die het verschil maakt, wel de manier van leidinggeven en de structuur van de organisatie. Dáár moet het genderdebat in de kunsten over gaan.

WATER EN VUUR IN BALANS
Dit debat moet zich dus niet funderen op een gesplitst, maar op een holistisch denken. Centraal in dit denken staat het streven naar meer eenheid tussen mannelijke en vrouwelijke energie. Die energieën zijn in elk van ons aanwezig, als twee polariteiten van dezelfde levengevende kracht. Mannen hebben dus niet het patent op mannelijke energie, vrouwen niet het patent op vrouwelijke energie. En zo beschikt ook elke organisatie in meer of minder mate over beide krachten. Een holistisch denken kiest voor een dynamische balans tussen beide. Mannelijke en vrouwelijke energie definiëren als twee polaire helften is op het randje van essentialistisch, maar tegelijk bouwt zo’n denken op een eeuwenoude culturele ervaring.

Mannelijke energie is de energie van het vuur. Zij manifesteert zich krachtig tot in het kleinste detail, maar werkt ook allesverterend als ze niet getemperd wordt. Vrouwelijke energie is de zorgende, omhullende energie van water. Het is de energie van intuïtie, introspectie, reflectie. Natuurvolkeren leren ons dat mannelijke energie naar buiten gericht is, vrouwelijke energie naar binnen. Als de stam wordt aangevallen, grijpt de mannelijke kracht naar het zwaard, de vrouwelijke kracht naar de baby.

RADAR OF LASER?
Zelfs al sta je sceptisch tegenover bipolaire denkoefeningen, ze helpen wel om het huidige probleem in onze organisatiecultuur helderder te krijgen. Ze laten toe om evenwicht te vinden van mannelijke en vrouwelijke aspecten van leiderschap. Als ‘vrouwelijke voordelen’ noemt het standaardwerk The female advantage van Sally Helgesen bijvoorbeeld de kunde om relaties uit te bouwen, het vermogen tot directe communicatie, een vanzelfsprekende omgang met diversiteit, de procesmatige aanpak van onderhandeling en de neiging om een ploeg te leiden vanuit het centrum in plaats van top-down. Vrouwelijk leiderschap werkt vanuit een wijd spectrum, meer als een luisterende radar dan als een snijdende laser. Vrouwelijk leiderschap denkt veeleer systemisch dan mechanisch, vanuit een sterke aandacht voor de bredere relaties.

Dat wil niet zeggen dat mannelijk leiderschap minderwaardig of verkeerd zou zijn, noch dat we vrouwelijk leiderschap moeten verheerlijken als de enige juiste weg. Elke vorm kent zijn kwaliteiten én zijn excessen. Het komt er vooral op aan om beide energieën samen te gebruiken op hun hoogste kwaliteitsniveau. De ideale leider is de herder die zich, afhankelijk van de situatie, flexibel kan bewegen tussen die twee polen. Soms zet hij/zij zich bescheiden achteraan de groep om iedereen bij elkaar te houden en te beschermen. Soms gaat hij/zij voor de groep staan wanneer er gevaar dreigt, of wanneer er een duidelijke richting nodig is.

Onevenwichtigheid ontstaat bij een overheersing van de ene op de andere kracht. Als de mannelijke energie in een systeem groter is dan de vrouwelijke, drijven beide polen uiteen. Dan blijft de mannelijke energie groeien, terwijl de vrouwelijke verder krimpt. In een natuurlijke verhouding is de vrouwelijke energie nochtans groter dan de mannelijke: omdat ze naar binnen is gericht, omhult ze de uitstralende mannelijke energie. Alleen zo houden beide tegengestelde krachten elkaar én het systeem in een dynamische balans.

MANNELIJKE CULTUUR
Het is precies die balans die in de kunsten helemaal scheefgetrokken is: de sector neigt te sterk naar de mannelijke pool. Dat zie je vooral aan de suprematie van het artistieke ego in het kunstenveld. De natuurlijke manifestatiedrang van de kunstenaar – mannelijk of vrouwelijk – heeft in onze organisatiecultuur een onaantastbaar, bijna heilig statuut. Zeker in verschillende organisaties die zijn opgebouwd rond succesvolle internationale kunstenaars, wordt desnoods alles opgeofferd aan zijn of haar expansieve creatiezucht en bewijsdrift naar de buitenwereld.

Als je kijkt naar de gebruikelijke indeling van een organisatie kun je stellen dat de vrouwelijke pool zich veeleer toont in de zakelijke en productionele omkadering. Zij is in de kunstenorganisatie de zorgende energie: ze dient en faciliteert de creatieve output en staat in voor de verbinding met de wereld. ‘Het kantoor’ wordt in de kunsten alleen vaak behandeld met een impliciet of expliciet dedain. We hebben er de term ‘overhead’ voor bedacht, als ging het om ‘overlast’. Die omkadering wordt beschouwd als een beperking van het creatieve ego, als een noodzakelijk kwaad voor de realisatie van de artistieke droom.

Artistieke expansie is de norm. In het geval er meer geld komt in een organisatie, gaat dit bijna automatisch naar meer producties en zelden naar meer zorg. ‘Alles voor de kunst’ is een religie geworden, met pausen en al.

In een gezond en duurzaam systeem bestaat tussen die beide polen een dynamische balans. Dit jaar geen vierde productie, bijvoorbeeld, om de ploeg en de balans weer op adem te laten komen. Of er wordt eens niet ingegaan op een prestigieus aanbod voor drie optredens in Azië. Samen groeien en krimpen. In de kunsten blijkt dat moeilijk. Waarom leeft nu zo sterk het gevoel dat iedereen op zijn tandvlees zit? Dat duidt niet alleen op afnemende subsidies, maar ook onevenwichtigheid. Iedereen moet mee in ‘hoger, sneller, beter’: een tandje bijzetten in het weekend, overwerken als norm, nog dieper in het krachtenarsenaal tasten. Want de kunstenaar, om wie alles draait, doet dat ook. The sky is the limit, en de rest moet volgen.

TIJD VOOR TRANSITIE
Natuurlijk is het kunstenveld niet uniek in deze mannelijke overdrive. Het spiegelt de scheeftrekking van een heel maatschappijmodel dat gericht is op groei en expansie. De voorbije eeuwen hebben we die mannelijke kant in al zijn facetten ‘verkend’ en kansen gegeven, op sommige vlakken ook met groot succes. Alleen is de zorg voor het grotere (sociale, culturele, ecologische) geheel tegelijk gekrompen tot een soft skill die meestal aangevoeld wordt als een rem op de ambitie tot groei. Vandaag botsen we op de destructieve gevolgen van dat overwegend masculiene wereldbeeld. Onze maatschappij viert het ik en de eigen natie, loopt zichzelf voorbij in een dwangmatige competitiedrift en dreigt kopje onder te gaan aan een totaal gebrek aan verbondenheid en zorg voor de omgeving. Rationele beheersbaarheid en spreadsheet- management prioriteren het hoofd boven de buik.

Maatschappelijk gezien is een tegenbeweging al zichtbaar. We maken vandaag de opmars mee van een bewustzijn dat kenmerken heeft van vrouwelijke energie: zorg voor het geheel, wij-gerichtheid, introspectie. Kijk naar nieuwe initiatieven van de deeleconomie, co-housing, ecologische transitie of verbindend burgerprotest zoals Hart boven Hard. Volgens economiefilosoof Rogier De Langhe (UGent) gaat het om een fundamentele shift van een verticale hiërarchie naar een horizontaal netwerk. ‘De digitalisering heeft alles omgegooid. Het model van de piramide is vervangen door het model van het netwerk. Dat is veel beweeglijker, past zich sneller aan, valt minder te sturen. Dat zie je niet alleen op sociale media, maar ook bij autodelen of energiecoöperaties: zij functioneren veel horizontaler, in een breder web. We komen van een wereld die beheerst wordt door markt en staat. Door de digitale revolutie gaan we naar een wereld waarin iedereen macht kan uitbouwen.’

GEDEELDE MACHT, DUBBELE MACHT
Loopt het kunstenveld niet achter op deze verschuiving? Al ontwikkelen zich bij een jongere generatie kunstenaars nieuwe en meer collectieve organisatiemodellen, de meeste artistieke structuren blijven vrij star ogen in vergelijking met experimenten in andere sectoren. Dat brengt de kunsten in lastig vaarwater. De complexiteit en de snelle veranderingen van onze samenleving zullen het voor traditioneel mannelijk leiderschap steeds moeilijker maken om snel en adequaat te reageren op de buitenwereld. Strakke structuren met gecentraliseerde kennis en macht zijn daarvoor veel te beperkend. Zij zijn gebouwd op de principes van klassiek ‘2D- of spreadsheet-management’.

Laat niemand de zichtbare kantelingen onderschatten. We staan aan het begin van een paradigmaverschuiving in onze kijk op machtsstructuren. We moeten evolueren naar systemen waarin niet de sterkste, maar de meest wijze krachten leiding geven. Die wijsheid kenmerkt zich door de breedte en de diepte van de blik, de mate van bewustzijn en de relativiteit van het ego. Het lijkt er zelfs op dat we evolueren naar organisaties zonder één directieve leider aan de top. Zo onderzoekt de Antwerpse kunsthal Extra City de mogelijkheid van een gedecentreerd organisatiemodel waarin elke medewerker eindverantwoordelijk wordt voor zijn of haar deelterrein, terwijl de organisatie gestuurd wordt door onderling advies en een aantal basisregels in geval van conflict. Uitgangspunt van dit model is de maximale autonomie van de onderdelen: een verschuiving van machts- naar natuurlijke hiërarchie. In een zelfsturende structuur met gedeeld leiderschap (en dus een veel grotere betrokkenheid van elke medewerker) wordt het coachend en inspirerend vermogen van leidinggevenden veel belangrijker dan hun vermogen om de zaak onder controle te houden.

BACK TO THE ROOTS
Hoe dat er in de praktijk kan uitzien? Buurtzorg Nederland is een mooi voorbeeld. De filosofie van deze thuiszorgorganisatie is dat de rechtstreekse relatie tussen zorgverstrekker en patiënt weer in het centrum staat, in plaats van de bureaucratie hier omheen. Zo zette initiatiefnemer Jos de Blok sterk in op zelfsturende en zelflerende professionele teams: een groep van gelijkgestemde verpleegkundigen kan zichzelf aanmelden, heeft een aantal gesprekken met een regioverantwoordelijke om te kijken of dat gaat werken, en kan dan zelf aan de slag. Slechts 1% van alle uitgaven gaat naar overhead, en 99% naar het oplossen van het zorgprobleem zelf. Thuisverplegers kunnen weer bezig zijn met waarvoor ze zijn opgeleid. De tevredenheid bij cliënten is navenant.

Natuurlijk is dit model niet zomaar te kopiëren naar de kunsten, maar de basisprincipes ervan zijn universeel. De voordelen van zelfsturing blijken zo groot, wekken bij medewerkers zoveel energie op, dat kunstorganisaties niet kunnen achterblijven. We denken dat het zo hoort dat iemand leiding over ons neemt op basis van macht en ego, maar dat is een (mannelijke) misvatting. Vrouwelijke kwaliteiten toevoegen aan mannelijke: dat is de uitdaging. Hetzelfde geldt voor organisaties. Gender gaat niet om polariteiten, maar om een herstelde eenheid tussen gedeelde basiswaarden en leidende ego’s. Een beter evenwicht tussen mannen en vrouwen in de kunstensector, binnen een samenleving in balans, zal dan vanzelf volgen.

Dit artikel verscheen eerder op de website van rekto:verso – www.rektoverso.be

Charlott Markus, UNTITLED (HIDE & KEEP) (2016)
Charlott Markus, UNTITLED (HIDE & KEEP) (2016)

Rumination Tale is de zesde door Plan B georganiseerde tentoonstelling in de door Mertens Frames gesponsorde projectruimte in Amsterdam-Noord. Ditmaal kregen kunstenaars Sara Bjarland en Charlott Markus de vrije hand om in deze kleine ruimte samen een tentoonstelling te maken. De kunstenaars ontmoetten elkaar nog niet zo lang geleden, vertelt Charlott Markus. Ze bleken beiden vaak het gevoel te hebben dat ze bezig zijn met het zoeken naar oplossingen voor zaken die onoplosbaar blijven; een onophoudelijke speurtocht zonder het vinden van een eindpunt of antwoord. Dit mondde uit in deze tentoonstelling over ‘het eindeloos herkauwen op dingen, en het knagende gevoel dat er misschien nog iets niet klopt’.

Deze Rumination Tale wordt in de ruimte vertaald in een op het eerste gezicht wat grauwig geheel van losstaande objecten en installaties. Een desolaat soort huiselijkheid lijkt de enige gemene deler. Wat het meeste opvalt is Charlott Markus’ installatie van vitrages. Deze zijn een reflectie van de vele vitrages van de bewoners van Amsterdam-Noord. In verschillende modellen en patronen proberen de semi-transparante stukjes stof de scheiding tussen binnen en buiten, privé en publiek, onszelf en de samenleving, op een subtiele manier aan te brengen. Een typisch Nederlands fenomeen dacht ik altijd, aangezien woningen hier vaak direct aan de straat grenzen. Maar ook Markus, die opgroeide in Zweden, herinnert zich de vitrage uit haar jeugd nog goed. Een twintigtal van deze halfdoorschijnende lapjes, allemaal ongewassen en tweedehands, heeft ze op zo’n manier in de ruimte gehangen dat er een nieuwe ruimte ontstaat. Deze is juist niet vanuit binnen, maar alleen van buitenaf door het raam te zien.

Op verschillende plaatsen in de tentoonstelling liggen stukken ventilatiebuizen, althans zo lijkt het. Maar de buis is verdwenen en alleen een vulling van grijsgekleurd gips ligt statisch op de grond. Het voelt zacht en fluwelig aan, bijna als huid. De tegenstrijdigheid tussen een buis die een huishouden van schone lucht hoort te voorzien, en deze vulling die viezig en zwaar aandoet, verwijst naar wat in de introductietekst wordt omschreven als ‘stagnatie en lucht die te zwaar is om te ademen.’

Boven in een hoek hangt een groezelige prop; een soort wespennest gemaakt van vergane plastic sinaasappelnetjes. In een andere hoek staat een verroeste stok van een oude mop. Beide gevonden voorwerpen die Bjarland uit hun originele context (lees: huisvuil) haalt en nu aan ons toont om stil te staan bij de materiële eigenschappen van alledaagse producten.

Achter de vitrages van Markus staan drie houten doosjes. Twee zijn er dicht, één staat er open op zijn kant. Er zitten twee foto’s in, maar deze tonen niets: twee ingepakte en dus onbekende objecten, gevonden in China, waar Markus een residency deed. Naast de doosjes staat een wit plankje. Was dit plankje eigenlijk bedoeld om hierop de doosjes aan de muur te presenteren? Zitten er ook foto’s in de andere doosjes? En wat zijn die ingepakte objecten? Ik stel mezelf deze vragen maar realiseer me dat het de bedoeling is dat ik hier geen antwoord op krijg. Dat er iets niet klopt, en dat ik er niet bij kan. Als ik hier langer over nadenk, bekruipt me het gevoel dat zoeken naar oplossingen op vragen die altijd open zullen blijven, in groter en kleiner verband, precies hetgeen is wat de wereld voort doet gaan. En dat dit is waar de tentoonstelling over gaat. Zo komt deze Rumination Tale toch nog samen in een verhaal dat groter is en helpt onszelf te verzoenen met de dingen die wij niet begrijpen.

Kunst en welke werkelijkheid?

—Justa van den Bulk
Ulf Aminde, video still LUST (2007)
Ulf Aminde, video still LUST (2007)

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek kampten meer dan 1 miljoen Nederlanders in 2014 met een depressie. Met dit ogenschijnlijk objectieve gegeven opende Jean-Pierre Geelen, kunstcriticus en journalist, het symposium Kunst & Werkelijkheid. Geelen stipte hiermee het ontbreken van één almachtige waarheid aan. Zowel zijn eigen krant, de Volkskrant, als het NRC Handelsblad checkten het bericht over depressie. En wat bleek, NRC bestempelde het bericht als grotendeels waar. De Volkskrant daarentegen kwalificeerde het nieuwsbericht als onzin: testen van het meer gespecialiseerde Trimbos-instituut zouden uitwijzen dat slechts vijfhonderd- tot zevenhonderdduizend Nederlanders lijden aan een depressie. Twee kwaliteitskranten met twee verschillende waarheden, wat is waarheid? Is dit hetzelfde als realiteit en hoe gaat de kunst hiermee om? Dit was het uitgangspunt van een inspirerende maar ook verwarrende symposiumdag.

Het eerste panel, bestaande uit theoreticus en docent Michael van Hoogenhuyze, criticus Philip Peters en schrijver Nina Polak, grijpt onder leiding van moderator Edo Dijksterhuis, recensent voor onder andere Het Parool, snel terug op het idee dat één waarheid tegenwoordig niet bestaat. De termen versplintering, authenticiteit en identiteit vliegen over tafel. Met de stellingen van Polak kan ik me het beste vereenzelvigen, wellicht vanwege het verschil in leeftijd tussen de jonge schrijver en de andere panelleden, die meer redeneren vanuit een klassiek idee van een kunstenaar die creëert zonder inbreng van de dagelijkse realiteit. Polak vraagt zich openlijk af wat de versplintering in de maatschappij betekent voor kunstenaars. Zij neemt een bewuste beweging naar collectiviteit waar en benoemt daarnaast een romantische obsessie voor authenticiteit. Door de versplintering en de daarbij horende zelfreflectie ervaart Polak een vorm van apathie die er ook voor zorgt dat er weinig reactie is op de steeds meer populistische houding tegenover kunst. Jannet de Goede, conservator bij het Kröller-Müller Museum, roept tijdens de rondvraag vanuit het publiek op tot meer actie tegen populisme. Maar hoe doe je dat in een maatschappij zonder waarheden en idealen?

De hang naar individualiteit en authenticiteit is ook terug te zien in het werk van Ulf Aminde, dat tijdens het symposium tentoongesteld is in het statige Huis Huguetan. Voor zijn videowerk Lust (2007) registreerde hij het geïsoleerde leven van zijn nichtje. Ze leeft teruggetrokken met enkel contacten via internet of met haar konijnen. Om het ijs te breken en een juiste sfeer te creëren tijdens de opname draagt zijn nichtje, maar achter de camera ook de kunstenaar, een konijnenpak. Aminde toont in Lust flarden van haar leefwereld, zittend op bed, al rokend en de konijnen knabbelend aan een blaadje sla. Aminde besteedt veel aandacht aan de vormgeving van zijn installaties door bijvoorbeeld twaalf monitoren te stapelen of zeven schermen willekeurig in een ruimte te plaatsen om de illusie van een straatbeeld te geven. Lust heeft het karakter van een diashow, die per slide een aspect blootlegt van een leven dat normaal onzichtbaar is. Na een intermezzo in de vorm van een doortastend interview met Aminde door curator Felix Ensslin komt het tweede panel aan het woord.

Kunstenaars Marcel van Eeden en Harmen de Hoop, en conservator Jannet de Goede vertrekken vanuit een citaat van Conny Palmen: De fantasie drukt vaak meer werkelijkheid uit dan de werkelijkheid zelf vermag. Van Eeden veegt het citaat van tafel met de simpele redenatie dat je ook niet kunt zeggen dat rood meer blauw uitdrukt dan blauw zelf. Moderator Dijksterhuis trekt een vergelijking tussen het werk van Van Eeden en De Hoop. De laatste werkt veelal in de openbare ruimte waardoor hij de dagelijkse realiteit niet kan buitensluiten. Van Eeden kan zich hier makkelijker van afsluiten omdat hij werkt met historische bronnen. In het verlengde van het werk van Aminde vraagt het panel zich af of pure documentatie van, veelal de marges van, de samenleving kunst kan zijn. Als voorbeeld haalt Van Eeden Enno Develing aan, in de jaren zestig een voorvechter van Minimal Art in Den Haag. Develing zag in de pure vorm de hoogste kunst zonder associaties en bijbedoelingen. Is pure documentatie dan misschien de hedendaagse waarheid in kunst?

Wat is echt? Wat is onecht en wat is authenticiteit? Vragen die volgens de introductietekst van het symposium gesteld zouden worden aan kunstenaars, filosofen en critici om ideeën over realiteit en kunst te bespreken. De paneldiscussies waren degelijk, in de zin dat de panelleden elkaar aanvulden. Maar duidelijk werd ook dat praten over waarheid of realiteit moeilijk is: het zijn ongrijpbare begrippen die niet te vangen zijn in woorden. Woorden die wel nodig zijn voor het voeren van een discussie. Er zijn vragen gesteld, maar meer over de stand van zaken in de kunstwereld, over authenticiteit en populisme. Waar is in dit grote verhaal de realiteit, of is deze versnipperde manier van discussiëren nu juist de werkelijkheid van deze dag? Kortom stof tot nadenken, maar verhelderend, nee!

Over kaders

—Marjolein van de Ven
Digitale scan, CARAVAGGIO - BN WALLCOVERING, Munken Print Creme 90gr/m2, 180 mm x 267 mm, 300 dpi, geprint op gesatineerd mc 150 gr/m2 (2016).
Digitale scan, CARAVAGGIO - BN WALLCOVERING, Munken Print Creme 90gr/m2, 180 mm x 267 mm, 300 dpi, geprint op gesatineerd mc 150 gr/m2 (2016).

Op de vierde verdieping van het kantoorgebouw Spaces in Den Haag, bij de pre-eindexamenexpositie Quote Me If I’m Wrong (2015) van de KABK, zie ik voor het eerst werk van Jeannette Slütter. Haar performance De derde verdieping speelt zich echter een etage lager af, in een kantoortuin die het publiek slechts van bovenaf, hangend over een balustrade op de vierde verdieping kan zien. Twee personen herordenen of verplaatsen continu het kantoormeubilair en andere aanwezige materialen – zoals doorzichtig folie, kartonnen platen en een gele strook plastic. De acties beginnen subtiel, maar worden steeds rigoureuzer. Met dit vormexperiment lijkt Slütter de formele kantoor-atmosfeer in Spaces te willen bevragen en doorbreken. Ook het werk dat ik een paar maanden later van haar zie bij The Tongue of the Chameleon, een tentoonstelling in Locatie Z, speelt met de gegeven context. Dit keer zijn het vier sculpturale ingrepen die het monumentale pand op een eenvoudige maar eigenzinnige manier accentueren. De meest wonderlijke is een strook wit plaatmateriaal die op de vloer begint, om het verwarmingselement langs de muur omhoog kruipt, subtiel om de vensterbank heen buigt en door het open raam naar buiten verdwijnt.

Ik bezoek Jeannette Slütter in haar atelier in Den Haag in het pand waar eerder tentoonstellingsruimte GEMAK gevestigd was. Overal liggen en hangen spullen: op de grond een wolkvormige uitsnede (en zijn negatief) van een soort vloerbedekking van kleine kiezelsteentjes, tegen de muur staat een papieren zakje waar een teddybeer van piepschuim uit tevoorschijn komt. Bij het neerzetten van mijn tas stoot ik bijna tegen een roze spriet die uit een balk lijkt te komen. Slütter heeft alle spijkers in de ruimte ‘versierd’ met geel, blauw en roze rietjes.

Marjolein van de Ven: Kun je iets vertellen over wat hier te zien is?

Jeannette Slütter: Wat in mijn atelier staat, wordt vaak als af werk geïnterpreteerd, terwijl het meer materiaalonderzoek is. Hier zet ik dingen bij elkaar, vorm ik stillevens. Dat gaat vaak heel gemakkelijk. Vervolgens staat het hier een lange tijd, tot het vervelend wordt om naar te kijken. Dan pas kan ik bepalen of iets goed werkt of niet, of de materialen goed zijn, de combinatie, of het een bepaald aura heeft. En of het niet te mooi is om naar te kijken of teveel ergens anders aan doet denken. Dan verander ik het. Ik ben heel zuinig, ik zou niet snel iets kapotmaken. Misschien zou ik dat juist moeten doen, het gewoon doormidden knippen. Maar dat zou ik lastig vinden, want ik weet dat ik die juiste combinatie dan niet meer zo snel kan terugvinden. Wegleggen is geen optie, als ik het idee heb dat ik ergens iets mee moet, dan moet dat op dat moment. Uiteindelijk worden de elementen in mijn atelier omgevormd tot een werk. Het krijgt pas echt betekenis als het samenkomt op locatie.

Hoe komt een werk dan tot stand?

De plek en de context vormen altijd het kader. Ik kijk naar wat de ruimte te bieden heeft en neem de materialen die ik daar vind als uitgangspunt. Samen vormt dat de leidraad voor het werk. Ook houd ik ervan om regels te doorbreken. Zo was met Spaces afgesproken dat de tentoonstelling alleen maar op de vierde verdieping zou zijn. Daar wil ik dan graag wat mee doen om te kijken hoe ver deze regel is op te rekken.

Voordat je bij beeldende kunst begon heb je ook vier jaar fotografie gestudeerd. In hoeverre keren elementen uit de fotografie terug in je huidige manier van werken?

De onderwerpen zijn hetzelfde gebleven. Tijdens mijn studie fotografie maakte ik al veel stillevens en was de ruimte ook altijd een belangrijk aspect. Maar het platte vlak en de kadrering van een foto waren voor mijn gevoel altijd heel beperkend: dat ene shot dat alles moet vertellen, met weinig ruimte voor wat daaromheen gebeurt. Bij een installatie of performance wordt die ruimte fysiek. Ook kan ik meer spelen met het kader, binnen de lijnen blijven of er juist overheen gaan. Tijdens De derde verdieping kwamen de performers naar boven om een biertje te drinken. Daardoor ontstond verwarring over de vraag of ze aan het performen waren, of als bezoekers met mijn werk aan de haal gingen.

En je werk voor Tubelight?

Het liefst maak ik werk over kunst zelf, en hoe we dit definiëren. Kunst lijkt vrij maar is dat eigenlijk niet. Ook om kunst zit een kader. Het wordt vaak ingebed in veel woorden, die soms zo’n grote lading hebben dat de tekst het werk beïnvloedt. Ik heb nagedacht over de betekenis van mijn beeld, en hoe zich dit verhoudt tot het interview.

Eenmaal thuis vraag ik me af in hoeverre mijn tekst invloed heeft op het werk dat Jeannette Slütter voor Tubelight creëert. Ik twijfel. Is de aanwezigheid van deze tekst een toevoeging, of juist een onnodig kwaad? Ga jij, als lezer, anders naar het beeld kijken na het lezen van dit interview? Of mijn tekst anders lezen na het bekijken van het beeld? Uiteindelijk is het maar de vraag wie van wie afhankelijk is.

Een te ambitieus spel

—Sophia Zürcher
David Bernstein, CHAIR AS MAN AS CHAIR (2012)
David Bernstein, CHAIR AS MAN AS CHAIR (2012)

Het gaat hier niet over Scrabble of Tetris. De tentoonstelling Games People Play in Nest heeft het veel te ambitieuze doel om het hele concept ‘spel’ in twijfel te trekken. De titel van de expositie is ontleend aan de bestseller Games People Play: The Psychology of Human Relationships (1964) van psychiater Eric Berne. Met een spel bedoelt Berne een stereotype gedragspatroon, vaak met een voorspelbare uitkomst. Dat is heel breed, en de definitie wordt in Nest ook niet vernauwd. Waar gaat het hier nou over? Over heel veel: over doen alsof, sport, spelregels, echt en namaak, de realiteit en virtualiteit, een bizar pretpark en je kunt er zelfs zelf een ingewikkeld schaakspel spelen.

De rode lijn in de tentoonstelling lijkt het aantonen van de afstand die het spelen van een spel veroorzaakt. Dat past bij de theorie van Berne, die ook meent dat het spel in essentie een vorm van bedrog of misleiding is: je maakt de ander (of jezelf) iets wijs. De kunstwerken in de linker ruimte van Nest gaan daar het duidelijkst over. De sculptuur Chair as Man as Chair (2012) van David Bernstein bijvoorbeeld. Hij liet zich inspireren door het verhaal dat er in de zestiende en zeventiende eeuw heersers in Afrika waren die op hun slaven zaten. De slaaf deed alsof hij een stoel was, en de vorst deed alsof de slaaf een stoel was. Bernstein maakte vervolgens een houten stoel die doet alsof hij een mens is: het werk lijkt op een mens die op handen en voeten zit.

In de video For a Better World van Priscila Fernandes doen kinderen alsof ze volwassen zijn. Fernandes filmde in het Portugese pretpark KidZania, waarin kinderen verschillende beroepen kunnen proberen. Ze bakken hamburgers, voeren operaties uit en blussen nepbranden met echt water. Het zorgelijke is dat het pretpark zwaar wordt gesponsord door McDonald’s, Coca-Cola en andere bedrijven. Het geld dat de kinderen met hun beroepsbeoefening verdienen, kunnen ze gelijk weer uitgeven aan deze multinationals. In dit park vol branding worden de kinderen dus voorbereid op het echte leven als consument. Een vreemd spel. De realiteit is hier vreemder dan fictie, Fernandes hoeft het eigenlijk alleen maar te tonen.

Ook in het schaakspel van Patrick Bernier en Olive Martin wordt het rollenspel geproblematiseerd. De zetten zijn hetzelfde als in het traditionele schaakspel, maar als bijvoorbeeld de zwarte pion de witte pion slaat, worden ze samen een zwart-witte pion. De pion wordt dus een dubbelspion, of een diplomaat die voor beide spelers werkt. Of voor geen van hen. Een slimme manier om een nieuwe strategie van de spelers te eisen, want wat te doen met een schaakstuk dat maar voor de helft aan jouw kant staat?

Deze drie werken over rollenspellen zijn nog aan elkaar te haken, maar het thema wordt steeds breder. Op een laptop kun je een enquête invullen van kunstcollectief Apparatus 22. Ze stellen diverse vragen over echt en nep (eerste vraag: ‘Heb je weleens een namaakproduct gekocht?’). Op de muur staat de vraag ‘Is there fake in afterlife?’. Dat is een zeer filosofische vraag, maar hebben we het nu nog wel over een spel?

Het gaat nu meer over echt en nep. The Conversation (2016) van Marijn Ottenhof bestaat bijvoorbeeld uit een nagemaakte talkshowset, met daarboven een video van twee mensen, een koppel waarschijnlijk, die een gesprek voerden op die set. Hun script is een vreemde collage van zinnen uit uiteenlopende bronnen, waaronder het tweede debat tussen Trump en Clinton. Politieke, manipulatieve trucs worden door Ottenhof omgevormd tot een echtelijke ruzie in de performance. Werkelijkheid wordt televisieshow wordt performance wordt video. Zoiets. Het is moeilijk om vat te krijgen op wat hier gebeurt. En om het nog ingewikkelder te maken: er komt ook een logische paradox uit het boek van Berne langs: ‘But not playing games may itself be a game’, zegt de vrouw tegen de man. Tja, zo komt het koppel natuurlijk nooit verder.

In zijn hilarische video houdt Feiko Beckers zich niet aan de spelregels die tot een succesvolle conversatie leiden. A Conversation Is a Risk to Lose Your Own Opinion (2015) bestaat uit drie aktes waarin twee mannen de dilemma’s bespreken van een oude wasmachine, een kapotte stoel en het beste Italiaanse restaurant. Met de uiteindelijke oplossingen van hun problemen zal geen van beiden echt tevreden zijn.

Volgens Berne is het spel uiteindelijk een barrière: echte intimiteit ontstaat in een spelvrije relatie. Maar dit is geen zelfhulptentoonstelling om die barrière weg te nemen. Dit is een tentoonstelling waarin kunstenaars zich niet houden aan de spelregels (Beckers), ze omkeren (Bernstein) of regels toevoegen (Bernier en Martin). De spellen in deze kunstwerken eindigen in een patstelling, want wat te doen als alle schaakstukken zwart-wit zijn? Wat te doen als niet-spelen ook een spel is?

Marijn Ottenhof, THE CONVERSATION (2016)
Marijn Ottenhof, THE CONVERSATION (2016)

Sociaal experiment

—Victoria Anastasyadis
Met Andere Woorden: Johannes Kronenberg, Eef Veldkamp, 13,80m3 (2016)
Met Andere Woorden: Johannes Kronenberg, Eef Veldkamp, 13,80m3 (2016)

Social design is hot. Ontwerpen en concepten die bijdragen aan betere economische systemen, een schoner milieu, verantwoord energiegebruik en maatschappelijke cohesie staan volop in de belangstelling. Denk aan tentoonstellingen als Dream Out Loud (nu te zien in het Stedelijk Museum), evenementen als What Design Can Do en Utrecht Manifest en de publicaties Looks good, feels good, is good en Design for the Good Society.

In het kader van de serie Curated by… nodigde culturele broedplaats WOW Amsterdam Jurgen Bey uit om een tentoonstelling te maken over social design. De veelzijdige ontwerper en directeur van het Sandberg Instituut liet zich inspireren door de locatie en de wijk. Hij maakte Onzijn, een veelzijdige manifestatie bestaande uit een maatschappelijk relevante tentoonstelling en ‘sociale’ evenementen georganiseerd door ontwerpers en kunstenaars.

WOW, het voormalige hts-gebouw middenin de roemruchte Amsterdamse Kolenkitbuurt, is van zichzelf een ‘social hotspot’. Naast ontmoetingsplek, hostel en broedplaats biedt het gebouw onderdak aan vijftig recent afgestudeerde kunstenaars. De tentoonstelling en evenementen leggen nadrukkelijk een verbinding met de buurt.

Tijdens Onzijn komen tweeëntwintig door Bey geselecteerde projecten samen. De manifestatie is opgedeeld in elf brede thema’s met intrigerende aanduidingen als De Maskerade, Gedomestificeerde Beesten en De Werkelijke Fictie, elk met werk van twee ontwerpers en/of kunstenaars. Hier komt de voetbalanalogie om de hoek kijken, zoals onlangs ook als leidraad gebruikt voor de grote tentoonstelling Design Derby in Museum Boijmans van Beuningen. De ene ontwerper/kunstenaar is onderdeel van het team ‘stand-in’ en vertegenwoordigt met een bestaand werk, de ander van team ‘actief’ en maakt nieuw werk dat inspeelt op de omgeving.

De bonte mix van werken en evenementen laten op uiteenlopende manieren licht schijnen op aspecten uit onze omgeving; van lokaal tot mondiaal. Een houten kooi met bed in de lobby refereert aan de tijdelijke habitat van een ho(s)tel. Bezoekers kunnen zich hier acht uur laten opsluiten. In een indrukwekkend fotoproject confronteert Wendy Bos de kijker met de ruwe, verborgen werkelijkheid van de illegale handel in wilde dieren. Job Koelewijn laat de toeschouwer met frisse blik naar zijn of haar entourage kijken en Joanne Hakkert bevraagt in een videowerk de stereotype beeldvorming rondom de vrouw en haar vruchtbaarheid.

De evenementen, als aanvulling op de tentoonstelling, geven de manifestatie een extra actieve dimensie. Het meest concrete voorbeeld van een project dat aansluiting zoekt bij de gemeenschap, is het werk van Marjanne Kuipers. Zij gaat op zoek naar de identiteit van de Kolenkitbuurt door middel van gesprekken met buurtbewoners. Het boek waarin ze haar ervaringen vastlegt, aangevuld met informatie over de wijk in de vorm van gefingeerde krantenberichten, kunnen bezoekers doorbladeren op de tentoonstelling. Ook kan men zich opgeven voor een tour door de buurt onder haar leiding.

‘Onzijn’ is de naam van een versvorm van elf regels, ook wel ‘elftal’ genoemd, bedacht door de inmiddels overleden Zwitsers-Nederlandse schrijver Drs. P. Een referentie die de meeste backpackers en millennials die in WOW verblijven waarschijnlijk weinig zal zeggen. Hierin zit het spel met het getal elf, zoals ook terug te zien in de teamindeling. De introductietekst legt echter een ander verband. ‘[De titel is] een ode aan Drs. P., maar suggereert ook: het niet-zijn, of het tegenovergestelde van wel-zijn, de ultieme positie voor een sociale gemeenschap.’ Dit wat krom geformuleerde statement verwoordt kennelijk Beys overkoepelende visie op social design. Helaas wordt het niet verder uitgelegd en dáár zit de pijn. Telkens als het erop aankomt en er een uitspraak over de betekenis of invulling van social design wordt gedaan, wordt vervallen in vaagheden. Het concept van het ‘onzijn’, (‘de structuur ervan is niet te lang en ook niet te moeilijk, maar heeft muzikaliteit en zeggingskracht’), lijkt aangegrepen om vooral niet te ingewikkeld en hoogdravend te zijn. Daar staat jammer genoeg geen helder verhaal tegenover. Dat aan de expositie wel degelijk een beter begrip en groter idee ten grondslag liggen, is voelbaar, maar of dit voor de meeste bezoekers ook duidelijk wordt, is niet zeker.

Dit neemt niet weg dat de tentoongestelde werken en evenementen in combinatie met WOW als locatie voor een spannend geheel zorgen. Lokale, maatschappelijke onderwerpen krijgen een frisse betekenis door de koppeling aan bredere en universele thema’s. Zo zorgt de tentoonstelling ervoor dat ik na kennismaking met de manifestatie met een hernieuwde blik door dit stuk Bos en Lommer buiten de ring van Amsterdam loop. WOW bewijst zich als uitstekende uitvalsbasis voor dit project. De broedplaats stimuleert de uitwisseling van creativiteit op ongedwongen wijze door middel van zijn robuuste architectuur, de kleurrijke vormgeving en relaxte sfeer. Onzijn is wat betreft social design, met al haar vormen en perspectieven, even divers als rijk. Ondanks het onnodig ingewikkelde concept en het gebrek aan duidelijke definiëring is de manifestatie een geslaagde bundeling van sociaal experiment.

Jurgen Bey tijdens de opening van Onzijn
Jurgen Bey tijdens de opening van Onzijn

Beelden met een boodschap

—Brenda Tempelaar
Tentoonstellingsoverzicht Is there life after lifestyle?
Tentoonstellingsoverzicht Is there life after lifestyle?

De denkende mens die zo’n tweehonderdvijftigduizend jaar geleden verscheen is veel jonger dan de aarde. Na verloop van tijd zou hij uitsterven of evolueren, zonder dat de aarde daar veel last van zou hebben. Maar inmiddels vormen wij zo’n bedreiging voor de aarde dat wetenschappers spreken van het Antropoceen: ‘het tijdperk van de mens’. Om het tij te keren lijkt een groene levensstijl de oplossing. Die levensstijl staat centraal in Is There Life After Lifestyle.

De tentoonstelling begint met de video Pioneer (What The White Had To Say) (2012 – 2013). Op een beeldscherm vlakbij de ingang is een compilatie van rechtenvrij stockvideomateriaal te zien. Lachende acteurs poseren in zakelijke kleding voor de camera. De ruimte is wit, net als de reclameachtige borden waar de acteurs onophoudelijk naar wijzen. Wie zo’n stockvideo normaal gesproken koopt kan in het witte bord zijn boodschap plakken om de video de gewenste betekenis te geven. Houkema presenteert de witte vlakken echter zonder verhaal en toont daarmee de leegte van de lach. De enthousiaste acteurs moedigen de consument aan, maar hebben geen idee wat ze verkopen. Houkema schoof de acteurs langzaam naar de achtergrond totdat ze kleine streepjes aan de horizon van het beeldscherm worden. Hiermee vormt ze hen om tot stuurloze mieren in een oneindige witte ruimte zonder betekenis.

De video bereidt je voor op Why Tidy My Exhibition Space if the Whole World is in a Mess? (2013), een chaotische installatie met houten keuken, kledingkast, eenpersoonsbed en nachtkastje. In het afdruiprek staat een ontbijtbord met een print van twee pandaberen, daarnaast onder andere een flesje EARTH-water en gerecycled aluminiumfolie. Voor de ‘gezelligheid’ kun je een LP van Greenpeace opzetten, of onder het dekbedovertrek kruipen dat bedrukt is met bedreigde diersoorten. De milieubewuste bewoner van deze installatie is een tegenstrijdige consument geworden. Hoe meer Greenpeacemerchandise hij verzamelt, hoe meer aan het doel van een betere wereld voorbij wordt geschoten. Maar een volledige huisraad presenteren voor een denkbeeldige milieufanaat, is dat niet het toppunt van verspilling?

Ook uit The Library (2014) spreekt vooral de paradox van auteurs die het milieu belasten om bewustzijn te creëren. Afgehakte boomstammen vormen de basis van een leeszaal met titels als The Three Ecologies, this Changes Everything: Capitalism vs the Climate en Living in the End Times. De boeken en artikelen worden gepresenteerd op de boomstammen, die kruislinks zijn opgestapeld. Je kunt ze lezen om meer te leren over het Antropoceen, maar ook uit de aanblik van deze verzameling valt van alles af te lezen. Zo kun je letten op de opmaak van de kaften, met hun aardse tonen en afbeeldingen van de natuur, of de gekapte bomen tellen. Houkema zet hier met heel weinig middelen een sterk beeld neer: dat van boomstammen die hard op weg zijn om boeken te worden, die in winkels zullen beantwoorden aan de vraag van milieubewuste lezers.

Toch voelt de spiegel die Houkema me als groene consument voorhoudt niet als een tik op de vingers. Dit komt vooral door het geluidswerk op de bovenste verdieping, dat bestaat uit een hokje in een donkere ruimte die alleen wordt verlicht door kille, blauwe lampen. Aan de achterkant kun je erin, en plaatsnemen op kussens. Zeven minuten staar ik naar een steen op de grond, die als meditatiecoach fungeert. Er klinkt een heldere vrouwenstem, en soms is er op de achtergrond nog iemand te horen. De vertelling is soms spannend, alsof er een sprookje wordt voorgelezen. Op andere momenten lijkt het verhaal te worden verteld door de voorleesfunctie van een computer. Houkema schreef een tekst die door de personages wordt voorgedragen. Ze vragen me om de verontreinigde lucht diep in te ademen. Positive Disintegration Meditation (2016) verkondigt de boodschap die in de rest van de tentoonstelling zorgvuldig werd vermeden. ‘Vertrouw niet op de mediamagiërs noch de prinsen van het kapitaal’, klinkt het. Houkema vraagt ons om ons niet alleen te laten leiden door media en beeldvorming, maar om vooral ook zelf na te denken en een koers uit te stippelen.

Een onaards, duister meditatiehokje op een zolderverdieping van De Ketelfactory in Schiedam is een mooie plek om je te realiseren dat we op ramkoers liggen. Voor de wanden gebruikte Houkema spiegelend materiaal dat de blauwe verlichting eindeloos en in alle richtingen weerkaatst. Het versterkt het idee dat niemand weet wat er met de wereld gaat gebeuren. Ik denk aan de Golden Spike, de nagel die wetenschappers in de aarde willen slaan als aandenken aan de mens. Als men twijfelt of materialen als plastic en aluminium er over hondderdduizend jaar nog zijn, dan moeten we ons misschien laten vertegenwoordigen door de steen in Positive Disintegration Meditation. Het zou mij niet verbazen als haar meerstemmige relaas na zo’n tijd nog in mijn botten wordt gevonden.

Tentoonstellingsoverzicht Is there life after lifestyle?
Tentoonstellingsoverzicht Is there life after lifestyle?

Avontuur zonder etiket

—Anneke van Wolfswinkel
Simon Rycroft en Paul Thursfield, LIGHTFALL (2016)
Simon Rycroft en Paul Thursfield, LIGHTFALL (2016)

Direct bij binnenkomst valt je mond al open. In de ruimte zweven glazen buizen, tientallen achter elkaar, als vleugels van vogels. Ze bewegen traag en majestueus, als een aanzwellende golf aan het strand. Met In 20 Steps van Studio Drift is de toon van de tentoonstelling gezet: hier ga je je verwonderen.

Sinds de opening in 2014, is er al een aantal opmerkelijke exposities in de Kazerne te zien geweest. Designautoriteiten als Li Edelkoort en Jeroen Junte stelden hoogwaardige tentoonstellingen samen met toonaangevend en vernieuwend design. Een stichting verzorgt, zonder overheidssubsidie, de inhoudelijke programmering, en het restaurant genereert geld voor onder meer de exposities. Het resultaat is een ontmoetingsruimte voor de disciplines kunst, design en technologie.

De muren van de voormalige marechausseekazerne zijn zwart, op de tafeltjes branden zachte lichtjes, uit de keuken komen keukengeluiden – en dan loop je een grote cirkel binnen, een soort kooi van hangende zwarte repen plastic, waar af en toe een streep ledlampjes oplicht. Als vanzelf ga je in de lichtcirkel staan die in het midden op de vloer is geprojecteerd. Met die beweging wordt een golfje van licht en klank veroorzaakt. Even later sta je in je eentje te dansen, in en uit de cirkel, in samenspel met de kooi die je omringt. De verwondering is compleet.

De interactieve licht- en geluidkooi Lightfall is ontwikkeld door Simon Rycroft en Paul Thursfield, voor Philips Lighting Design. Ook de houten wand van ontwerpcollectief BCXSY is gemaakt in opdracht van Philips. Ze maakten een met fineer bedekte wand met een onregelmatig patroon van openstaande ‘klepjes’. Achter die openingen gaan ledlampjes schuil, die in een rustgevend ritme aan- en uitgaan. Inspiratiebron: het lichtspel van de zon tussen de bladeren van een boom. Wie probeert deze werken een etiket op te plakken, komt er niet uit. Is het lichtkunst? Design? Of een kijkje in de keuken van de onderzoeksafdeling van Philips? En als we die vraag niet kunnen beantwoorden – maakt dat iets uit?

De tweede zaal loop je binnen tussen meer dan manshoge, uit zwart gecoat plaatstaal gemaakte objecten van designduo Daphna Laurens (Daphna Isaacs en Laurens Manders) die doen denken aan leestekens. Het is autonoom design en tegelijk een onderzoek naar oervormen en archetypen. Dan wordt je blik naar de hangende lampen van geblazen glas van Alex de Witte getrokken. Big Bubble heten ze, en ze lijken op grote, langgerekte zeepbellen. Het zijn de enige bruikbare objecten in de expositie.

Door de hele ruimte hangen de lampen, ook boven een zwarte, stijlvol gedekte dinertafel – hier is de menging van functies van De Kazerne goed zichtbaar. Een kloek dressoir en boekenkast uit hout en glas, van ontwerper Joine, maken de inrichting compleet. Hij noemde de kasten Totem Cabinet, en net als Daphna Laurens zoekt hij naar archetypische, iconische vormen. De kasten verbeelden eerder een ‘idee’ van een kast – het praktisch nut lijkt bij dit ontwerp op de tweede plaats te komen. Wel zijn ze heel geschikt om de objecten van Isaac Monté te tonen: stoere vaas-achtige vormen die nog het meest lijken op binnenstebuiten gekeerde geodes. Monté deed onderzoek naar de totstandkoming van stalagmieten, en zijn ‘vazen’ zijn het resultaat van een natuurlijk, geologisch groeiproces: de kristallisatie van mineralen. Het doet denken aan werk van de Britse kunstenaar Roger Hiorns, die in 2008 een volledig interieur van een woning liet ‘overgroeien’ met blauwe kopersulfaatkristallen. Monté wordt ontwerper genoemd, Hiorns beeldend kunstenaar, maar de scheidslijn tussen deze twee is diffuus.

Bij de huidige generatie Nederlandse ontwerpers vormen onderzoek en experiment een steeds belangrijker deel van de ontwerppraktijk. Het duo Guus Kusters en Maarten Kolk loopt voorop in deze ontwikkeling. In samenwerking met het RembrandtLab onderzochten ze de precieze samenstelling van de kleuren die Rembrandt gebruikte in schilderijen als De Nachtwacht en Het joodse bruidje. Kusters en Kolk probeerden te achterhalen welke grondstoffen en recepturen hij gebruikte en vervolgens vertaalden ze die typische Rembrandt-kleuren naar andere materialen. Tientallen schijfjes en cilinders van keramiek staan uitgestald, geglazuurd in verschillende tinten die het palet van Rembrandt inderdaad heel dicht benaderen. Gecombineerd met de reproducties aan de wand ziet het er beeldschoon uit. De presentatie was al te zien in onder meer het Rembrandthuis, maar een eerste vertaling naar een bruikbaar product beleeft hier zijn primeur: textiel in Rembrandt-tinten.

Een conversation piece is Escape zeker. Het laat zien wat voor zee aan mogelijkheden er ontstaat wanneer autonome kunst, toegepast design, materiaalonderzoek en technologische innovatie met elkaar worden verweven. Dat we niet weten welk label we de werken in de tentoonstelling nou moeten geven, is een goed teken: we bevinden ons hier op nieuw terrein, waar nog eindeloos veel te ontdekken valt.

Onderweg naar ergens

—Jorien Kleine Deters
A Place of Non-Place, overzicht van de tentoonstelling, 2016. Foto: courtesy Corridor PS
A Place of Non-Place, overzicht van de tentoonstelling, 2016. Foto: courtesy Corridor PS

De supermarkt, de wachtkamer bij de tandarts, het vliegveld, een lift: zomaar een aantal voorbeelden van plekken van passage. Ze zijn steriel, onpersoonlijk en de relaties tussen de mensen zijn toevallig. Deze plekken worden door de Franse Antropoloog Marc Augé ‘non-places’ genoemd en zijn onlosmakelijk verbonden met de tentoonstelling A place of Non-place in Corridor Project Space in Amterdam. Augé riep deze term in het leven om te verwijzen naar openbare en publieke ruimtes van vergankelijkheid die niet genoeg betekenis hebben om als ‘plaats’ aangeduid te kunnen worden. Augé geeft nog twee complementaire maar verschillende definities van ‘non-place’: ruimtes gevormd met betrekking tot bepaalde doeleinden zoals vervoer, handel, vrije tijd en de relaties die individuen hebben met deze ruimtes.

In deze dubbeltentoonstelling speelt de term van Augé volgens tekstschrijfster Alessandra Troncone juist geen centrale rol. De ‘non-place’ is een plaats met een eigen identiteit, maar zonder fysieke ruimte, zoals ze dat beschrijft. Een ‘non-place’ ligt in dit geval in de kracht van de verbeelding. Het bestaat in de herinnering en in het verlangen. Het uit zich in de vorm van een voorstel voor een nieuwe geografische setting. Hamza Halloubi (1982, Tanger, Marokko) en Servet Koçyiğit (1971, Kaman, Turkije) denken na over de betekenis van plaats, en koppelen die reflectie aan hun eigen biografie.

Bij de eerste definitie van Augé wordt de ‘non-place’ gekenmerkt door voortbeweging, verplaatsing. Een ‘non-place’ die bestaat in het reizen door of via antropologische plaatsen, om zo in een proces van transitie te komen. Dit fenomeen is ook in het werk van Hamza Halloubi terug te zien. Zijn video To Leave is gefilmd in de geboortestad van de kunstenaar, die het moment van het verlaten in een krachtig beeld weet te vangen. Alles is gericht op het gezicht van de jongen die blijft staan, terwijl de camera van de jongen afgaat en ‘vertrekt’. Het landschap trekt aan de toeschouwer voorbij. Er is geen gevestigde locatie aan te duiden. Deze video geeft juist een soort nomadisch en zwervend gevoel, een ‘non-place’. Het is een plek of gevoel waarmee iedereen zich wel kan identificeren; een combinatie van nostalgie en onbehagen en onzekerheid over de toekomst. Een soort ‘orde in de chaos’.

Servet Koçyiğit’s ‘non-place’, Mappa, is een tweedimensionaal werk, een plattegrond met grenzen gemarkeerd door middel van garen en vilt. De gemarkeerde gebieden krijgen met een zwarte identiteit. Het resultaat is een speelse en enigszins naïeve collage van kleurrijke patronen. Volgens Troncone zijn de grenzen van Mappa op een persoonlijke en willekeurige manier gecreëerd in plaats van op politieke redenen. Deze hangende ‘kaart’ lijkt bestaande plaatsen op te roepen, maar ze zijn in feite fictief. Zijn grenzen en plaatsen niet altijd fictief? Ze zijn fysiek en tastbaar, maar gecreëerd door de mens met zijn behoefte aan orde en overzicht. De creatie van de kaart, de keuze van de stof en de assemblage zetten volgens Troncone vraagtekens bij de manier waarop grenzen voortdurend woorden aangemaakt.

In de video 99 years zien we en profil twee mensen tegenover elkaar. De één houdt met de armen een ‘breiwerk’ vast terwijl de ander de garen aan het afwikkelen is.  De hypnotische beweging van afrollende en overlappende gekleurde garen geeft leven aan een wereldbol als exacte gelijkenis aan de wereldbol waarin we ons bevinden. Koçyiğit maakt opnieuw een aanspraak op de vrijheid van het creëren van iets nieuws; een nieuwe plek, nieuwe grenzen.

Terwijl Halloubi’s werk toch enigszins de term van Augé reflecteert, heeft het werk van Koçyiğit een andere invalshoek. Hij boort duidelijk een nieuwe ruimte aan; een ruimte totaal gebaseerd op de mentale toestand, een ruimte die de kritische gedachte activeert. Een utopie bijna. Want alleen in onze gedachten zouden we een nieuwe plek met nieuwe grenzen kunnen scheppen.

Deze tentoonstelling laat ons nadenken over de definitie ‘plaats’ en hoe dit begrip vanaf verschillende perspectieven bekeken kan worden. Een definitie die twee kanten heeft en zowel concreet als abstract is. Zolang de mens bestaat, bestaat er altijd een fysieke plaats en een mentale plaats. Dat weten Halloubi en Koçyiğit in hun werk krachtig te verbeelden. In eerste instantie misschien een complex uitgangspunt voor een kleine expositie als deze, maar mochten de thema’s ‘space’ en ‘place’ je interesseren dan ben je bij de expositie A Place of Non-place aan het goede adres.

A Place of Non-place is alleen nog dit weekend te zien.

A Place of Non-Place, overzicht van de tentoonstelling, 2016. Foto: courtesy Corridor PS
A Place of Non-Place, overzicht van de tentoonstelling, 2016. Foto: courtesy Corridor PS
A Place of Non-Place, overzicht van de tentoonstelling, 2016. Foto: courtesy Corridor PS
A Place of Non-Place, overzicht van de tentoonstelling, 2016. Foto: courtesy Corridor PS
A Place of Non-Place, overzicht van de tentoonstelling, 2016. Foto: courtesy Corridor PS
A Place of Non-Place, overzicht van de tentoonstelling, 2016. Foto: courtesy Corridor PS

Terug naar het ambacht

—Jip Hinten
Olga Ganzha, UNTITLED (2016).
Olga Ganzha, UNTITLED (2016).

Op het hoekje van de Ernest Staesstraat in Amsterdam-West is een kleine projectruimte te vinden genaamd Bookstore Space. Deze ruimte is onderdeel van het community-project The Bookstore, dat naast het exposeren van kunst zich actief inzet voor de samenleving. In ruil voor hun toewijding en inspanning krijgen deelnemende muzikanten, vormgevers, schrijvers en kunstenaars betaalbare atelierruimte aangeboden. Bijzonder aan Bookstore Space is dat deze altijd toegankelijk is voor de buurt en haar bewoners; door de grote etalageruiten rondom het hoekpand is de kunst ook zichtbaar buiten de openingstijden. De programmering bestaat uit zeswekelijkse tentoonstellingen afgewisseld door onder meer lezingen en korte projecten. Op dit moment is de ruimte ingericht met werk van de Russische Olga Ganzha, woonachtig en werkzaam in Amsterdam. Ganzha, die zichzelf omschrijft als kunstenares én grafisch ontwerpster, zoekt in haar werk een connectie tussen persoonlijke herinneringen en culturele geschiedenis. Ze onderzoekt manieren om deze persoonlijke herinneringen te verbeelden en vond, door haar interesse in de alchemie, haar heil in het maken van etsen. Ganzha’s fascinatie voor dit medium leidde haar naar Oekraïne, waar ze enkele prentkunstenaars en een heler bezocht.

De expositie Want to see my etchings? toont Ganzha’s reis en onderzoek naar het medium in Oekraïne. Op de tumblr-pagina “wanttoseemyetchings” deed Ganzha verslag van deze twee maanden durende studiereis. De pagina vormt samen met de expositie een visueel essay waarin ze verschillende aspecten en technieken van het etsen onderzoekt. “Don’t ask yourself what you want from the technique; ask yourself what it wants from you?”, is een vraag die Ganzha zichzelf letterlijk stelt verstopt als motto tussen de vele foto’s op haar tumblr. Ganzha stuitte op deze vraag toen ze op bezoek was bij kunstenaar en printmaker Pavlov Makov. Het is duidelijk een gedachte die de kern en richting van haar onderzoek heeft gestuurd. Aansluitend op haar onderzoek in Oekraïne verbleef Ganzha twee maanden in de werkplaats AGA LAB in Amsterdam, waar ze de ruimte en mogelijkheid kreeg om zich verder in de techniek van het etsen te verdiepen.

Het pronkstuk van de tentoonstelling is een grote ets van een jurk. Ganzha gebruikt een speciale techniek waarbij ze direct afdrukken maakt van de materialen en voorwerpen die ze wil verbeelden, waarna ze deze verder uitwerkt tot het uiteindelijke resultaat. Haar etsen zijn hierdoor zeer gedetailleerd en hebben een sierlijke uitstraling. Deze kwaliteit wordt versterkt door de subtiele teksten die met potlood op de muur en op sommige werken zijn geschreven. De poëtische zinnen zijn bijna onleesbaar en zetten je als bezoeker aan om zowel de werken zelf als de ruimte aandachtig te bestuderen. Zo ontdek je details op plekken waar je ze makkelijk over het hoofd zou kunnen zien. Ze verheft simpele objecten tot kunst, en doet dit bijna geheel in grijstinten, zonder dat de werken wegvallen in de witte ruimte.

Hoewel, geheel buiten de sobere werken, ligt in de vensterbank toch een klein geel bloemetje. Een verwijzing naar de ingelijste materiaalstudies aan de muur die een onderzoek lijken te zijn naar de overeenkomsten tussen de vormen van de natuur en het menselijk lichaam. De tweede ruimte beneden, met een collage van patroon- en compositiestudies, biedt een blik op weer een andere stap in het maakproces. Hierin gaan volgens Ganzha metafysische en magische kwaliteiten schuil. Met één van de teksten die op de muur geschreven staat “Now they both are equal, now they both are strong”, lijkt ze te willen benadrukken dat kunst meer is dan alleen het afgewerkte resultaat.

Het belang van het maakproces en haar liefde voor de alchemie zijn dan ook duidelijk terug te vinden in het tweede deel van de tentoonstelling, dat zich in de bovenruimte bevindt. Na het opgaan van de trap, waar Ganzha ook duidelijk haar sporen heeft achtergelaten let ook hier op de details  betreed je boven een simulatie van Ganzha’s atelier. Compleet met geluid en geur van de materialen krijg je een inkijk in de technieken die schuilgaan achter de werken die beneden te zien zijn. Hoewel de ruimte verre van natuurlijk is ingericht stoort dit niet. Ieder object lijkt tot op de millimeter op de juiste plek te zijn neergelegd om zo de goede compositie te vormen, van de uit een telefoonboek gescheurde bladzijdes op de grond tot aan een hoopje krijtgruis naast de etsgereedschappen en met inkt besmeurde koperplaatjes. Samen doen ze meer dan alleen verwijzen naar een kunstenaarsatelier: ze vormen zelf een kunstwerk.

De materialen, het gereedschap en de studies worden met eenzelfde respect behandeld als de voltooide ingelijste werken beneden. De gehele tentoonstelling, die als een soort ‘gesamtkunstwerk’ Bookstore Space heeft overgenomen brengt het ambacht en schoonheid van kunst samen tot een harmonieus geheel en is daardoor zeker het bezoeken waard.

 

 

Want to see my etchings? Door Olga Ganzha is nummer 14 in de programma reeks Pro-Gression en is nog tot en met 4 December 2016 te zien in Bookstore Space.

A Festival

RijksakademieOPEN 2016

—Miriam van Ommeren
Monira Al Qadiri, SPECTRUM 1 (2016). Foto: Lost Painters.
Monira Al Qadiri, SPECTRUM 1 (2016). Foto: Lost Painters.

Na jaren RijksOPEN (en tussendoor wat bezoekjes aan bevriende residenten) verdwalen in de immense kazerne aan de Sarphatistraat: het lukt me nog steeds. Gelukkig houdt mijn vaste ‘bezoekmaatje’ wel goed bij welke gangen er nog bevochten moeten worden en naar welke hidden studios nog gezocht moet worden. Ondertussen kijken we de andere press previewers nieuwsgierig aan. ‘Nog wat goeds gezien?’, blijft door de gangen klinken.

De anticipatie is wederom groot: RijksOPEN blijft toch een beetje dé graadmeter voor hedendaagse kunst in Amsterdam, de hoofdact van het hedendaagse kunst-circus genaamd Amsterdam Art Weekend. Wat zijn de tendensen dit jaar: wat is nieuw, fris en origineel of juist meer van hetzelfde? Hoeveel epoxyhars gaan we deze keer tegenkomen?

Sommige studio’s, met name die met installaties, ontstijgen het niveau ‘oriëntatiejaar op de kunstacademie’ wederom niet. Ik kan het niet laten om af en toe te denken: ‘Is dit het nu echt, na één/twee jaar residentie?’ Gelukkig staat er ook dit jaar weer het nodige moois tegenover. Zo is de postmoderne ‘kijkdoos’ van Funda Gül Özcan een schot in de roos. Als bezoeker wil je niets liever dan eromheen lopen en eronder kruipen om alles in je op te nemen, maar helaas word je tegengehouden door een koord.

Geo Wyeth maakte vorig jaar indruk met zijn hallucinante kermisstudio. Dit jaar valt zijn presentatie eigenlijk behoorlijk tegen, met een bijna saaie installatie met textiel, maar gelukkig wacht buiten een aangename verrassing in de vorm van een bestelbusje met daarin een kolossaal orgel. Simpel maar effectief, en een beetje creepy.
Wie de verwachtingen van vorig jaar wel overtreft is Noah Ryu. Zijn doeken zijn dit jaar nog beter: de nieuwe manier van kijken die hij voorspelt voor de toekomst wordt blokje voor blokje op het canvas overgebracht, met grote precisie.

Een van de grootste troeven van de Rijksakademie is de grote waaier aan nationaliteiten. Residenten komen ook dit jaar weer uit alle hoeken van de wereld, en dat biedt interessante en ‘frisse’ perspectieven. Zo vormt de studio van de Koeweitse Monica Al Qadiri een cleane paarse ‘capsule’ waarin zes bijzondere boorkoppen worden tentoongesteld: een verwijzing naar de huidige hoofdindustrie van haar moederland. Een ervan draait zelfs rond zijn as boven een sokkel. Zeer esthetische kunst, ook in de afwerking. Een uitzondering op de regel hier.

Er zijn dit jaar minder videowerken dan voorheen, en de videowerken die er zijn hebben allemaal een observerend, soms bijna voyeuristisch karakter. Zoals in de studio van Sander Breure en Witte van Hulzen, ‘bekend van’ de dansperformances op Utrecht Centraal die zij eerder dit jaar lieten opvoeren. In één studio tonen ze de videoregistraties hiervan, in een andere beelden van de omstanders die, soms licht gegeneerd, soms ronduit geamuseerd, de performances bekijken.

Inge Meijers grote video-installatie Beautiful Isle of Somewhere maakt indruk: Truman Show meets kunstmatig vakantie resort meets filmstudio-landschap. Hoe langer je kijkt, hoe meer je ogen je lijken te bedriegen. En ondertussen bewegen twee parasols boven je hoofd rustig op en neer. In het kleinere ‘hok’ binnen haar studio is een bijna hypnotiserende video te zien van een man die een beer uitlaat: intiem en ontroerend.

Elk jaar hoop ik op een paar klappers: presentaties die je van je stuk brengen, waar je je dagen later nog over verwondert. En Tchelet Weisstub’s theatrale installatie Analog memory #5 weet dat te bewerkstelligen, met hologrammen en sculpturen die de rol van technologie in het menselijk leven bevragen. Alles in een beklemmende sfeer bijeen gebracht.

De gehoopte gemeenschappelijke thema’s dan wel rode draden blijven uit. Ook is dit jaar, zoals mijn gezelschap opmerkt, het gebrek aan werkelijk engagement weer opvallend, zo niet schrikbarend. Niet alleen wordt er amper gereageerd op de grote boze politieke buitenwereld (het plichtmatig aandoende spandoek van Snail Nacht negeren we maar even), ook aan de uiterst penibele situatie waarin de Rijksakademie momenteel zelf zit – na een halvering van de rijkssubsidie in de vorige kunstenplanperiode dreigt het instituut ditmaal opnieuw flink gekort te worden – en de gevolgen die dit kan hebben voor haar functie, wordt niet gerefereerd. De kunstenaars zitten toch vooral in hun eigen bubbel, en de bezoeker is een toevallige passant die langs schuifelt en nergens aan mag zitten.

Maar wellicht is mijn teleurstelling hierover misplaatst: een residentie als die aan de Rijksakademie is natuurlijk bij uitstek een vrijbrief voor experiment en verdieping, zonder dat de kunstenaar zich druk hoeft te maken over de realiteit die buiten het hek op hen wacht. Die komt vanzelf wel.

 

Met dank aan Niek Hendrix/Lost Painters.

Noah Ryu, TELE-VISION (2016). Foto: Lost Painters.
Noah Ryu, TELE-VISION (2016). Foto: Lost Painters.
Tchelet Weisstub, ANALOG MEMORY #5 (2016). Foto: Lost Painters.
Tchelet Weisstub, ANALOG MEMORY #5 (2016). Foto: Lost Painters.
Inge Meijer, BEAUTIFUL ISLE OF SOMEWHERE (2016). Foto: Lost Painters.
Inge Meijer, BEAUTIFUL ISLE OF SOMEWHERE (2016). Foto: Lost Painters.
Geo Wyeth, INSTALLATIE RIJKSAKADEMIEOPEN (2016). Foto: Lost Painters
Geo Wyeth, INSTALLATIE RIJKSAKADEMIEOPEN (2016). Foto: Lost Painters
Funda Gül Ozcan, TIME TO SAY HELLO AT THE EAST POLE (2016). Foto: Lost Painters.
Funda Gül Ozcan, TIME TO SAY HELLO AT THE EAST POLE (2016). Foto: Lost Painters.
Sander Breure en Witte van Hulzen, HOW CAN WE KNOW THE DANCER FROM THE DANCE (2016). Foto: Lost Painters.
Sander Breure en Witte van Hulzen, HOW CAN WE KNOW THE DANCER FROM THE DANCE (2016). Foto: Lost Painters.

Tubelight Choice A Festival #4-6: NEVERNEVERLAND, PS Project Space en Kunstverein

—Jorien Kleine Deters, Rosanne Koster, Sara Harderwijk
Teo Treloar, BLACK GEOMETRY 15 en BLACK GEOMETRY 16, 2016. Foto: courtesy PS.
Teo Treloar, BLACK GEOMETRY 15 en BLACK GEOMETRY 16, 2016. Foto: courtesy PS.

Tubelight Choice #4: DOGHME, een tweede waarneembare werkelijkheid
Jorien Kleine Deters

In eerste instantie oogt het nogal kalig, de galerie van NEVERNEVERLAND. Een tekst aan de muur, een hondenvoerbak in het midden van de zaal. Is hier enige samenhang te ontdekken? Vervolgens geeft een benodigde iPad die wordt uitgereikt een andere wending aan dit galeriebezoek. Op basis van terugkerende patronen die de iPad herkent wordt er een virtuele laag in de galerie aangebracht.

Litouwse kunstenaar Robertas Narkus omschrijft zijn praktijk als ‘het beheer van omstandigheden in een economie van toeval’. Hij brengt het alledaagse en gewone samen met het absurde om hypothetische ervaringen en begrippen als ‘toevalseconomie’ en ‘machtsspelletjes’ te verkennen.

DOGHME is een hypothetische start-up. De ‘onderneming’ produceert tijdens deze expositie gesimuleerde ervaringen en oplossingen voor augmented reality: digitale content wordt toegevoegd aan een fysieke omgeving, die, als het ware, een nieuwe laag met waarneembare informatie creëert. Het schept een relatie die eigenlijk niet bestaat en daarmee niet als zodanig gezien kan worden. De toepassing van augmented reality geeft deze relatie echter een bestaan. Voor wie nieuwsgierig is naar de toepassing en mogelijkheden van augmented reality is DOGHME tijdens A Festival een aanrader.

De expositie was te zien tot en met 27 november 2016.

 

Tubelight Choice A Festival #5: Geen gedachte achteraf
Rosanne Koster

Middenin de immer verhippende, levendige Indische Buurt is de Madurastraat een oase van stilte en rust. Hier vind je geen concept-koffie en bouw-je-eigen-fietsenwinkels, maar alleen een enkele straatvoetballer. Hoe toepasselijk dat het kunstenaarsinitiatief dat hier in een oud schoolgebouw is verscholen PS heet. Een projectruimte, zeker, maar zelfs gedurende A Festival of Project Spaces, dat juist ruimtes als deze meer aandacht moet geven, is PS een postscriptum te noemen; een moeilijk te vinden, makkelijk aan voorbij te lopen gedachte achteraf. Zelfs de voordeur is op slot.

Dat is zonde, want eenmaal binnen ontvouwt zich een mini-schatkamer aan de bezoeker. PS Project Space toont namelijk Dark Symmetry, een groepsexpositie van internationale kunstenaars waarvan de werken stuk voor stuk een schot in de roos zijn. De gemene delers zijn kleur en symmetrie, en hoewel dat een voorspelbare en gemakkelijke tentoonstelling zou kunnen opleveren, onderscheiden de werken in de kleine ruimte zich door hun fijngevoeligheid en zichtbare toewijding.
Riette Wanders’ tekeningen van organische vormen en vervreemdende portretten hebben in deze tentoonstelling plaatsgemaakt voor strakkere, abstracte vormen. Ze vallen op door hun formaat en vakmanschap. Maar vooral het werk van de Australische tekenaar Teo Treloar maakt indruk. Hoewel klein (21 x 21 cm) zijn zijn tekeningen, die zó gedetailleerd en vaardig zijn gemaakt dat het etsen lijken, even beklemmend als de personen die erop staan afgebeeld, gezichten gevangen in geometrische vormen.

Op zondagmiddag is de opening van Dark Symmetry ook bijna een PS van Amsterdam Art Weekend. Maar iedere schrijver en lezer weet: in het postscriptum wordt dikwijls juist het belangrijkste gezegd.

 

Tubelight Choice #6: Een podium voor tekst
Sara Harderwijk

“Tekst hoort niet thuis in de kunst.” Ik hoor het mijn docent beeldende vorming nóg zeggen. Deze uitspraak is mij altijd bijgebleven, en ik ben het er tot de dag van vandaag mee oneens.

Dat tekst wel op zijn plek is in de beeldende kunst, en zelfs een podium verdient, wordt bewezen in de tentoonstelling Sorry! No We Don’t Do REQUESTS. Ruim twee maanden lang dient de kleine expositieruimte van Kunstverein in de Hazenstraat als canvas voor een ode aan typograaf Will Holder. Op de grofweg vijf meter brede muur en een kleine, sobere tafel krijgen in totaal negen curatoren de kans het twintigjarige jubileum van de Britse kunstenaar te eren.

Deze week was het de beurt aan de directeur van Kunstverein, Maxine Kopsa, die als thema ‘relaties’ koos. Middels een collectie affiches, brieven en posters die met zilveren knijpertjes aan de witte muur zijn bevestigd geeft Kopsa een interessante inkijk in de verschillende relaties die Holder in zijn leven en werk is aangegaan; de collectie is zeer divers en bevat onder andere een handgeschreven uitnodiging voor een bruiloft in Italië, een poster waarop het begrip cooperation wordt uitgelegd en het boek Yes, but is it edible? waarvan Will Holder editor was. Volgende week is er een nieuwe curator, en zal een nieuw thema worden uitgelicht. Wat zeker is, is dat tekst en typografie weer centraal zullen staan, en dat is verfrissend en volledig terecht.

Sorry! No We Don’t Do REQUESTS is te zien tot 17 december in Kunstverein, Hazenstraat 28. Van 1 januari tot 31 december 2017 zal de tentoonstelling worden voortgezet in Berlijn.

Robertas Narkus, DOGHME (2016). Foto: courtesy NEVERNEVERLAND.
Robertas Narkus, DOGHME (2016). Foto: courtesy NEVERNEVERLAND.